Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK II

Artikel 5

Artikel 5

Onderdeel van Verdrag inzake handel met voorkennis· Strafrecht

Deze tekst geldt sinds 1 november 1994

1. Ieder verzoek om bijstand dient met redenen te zijn omkleed. 2. Het verzoek bevat een omschrijving van de feiten die duidelijk maken danwel het vermoeden doen rijzen dat ongeoorloofde handelingen met voorkennis zijn verricht of bevat, indien om bijstand wordt verzocht overeenkomstig de voorschriften die met toepassing van artikel 3 door de Partijen zijn vastgesteld, een verwijzing naar de in dat artikel genoemde beginselen die zijn geschonden. 3. Het verzoek dient een verwijzing te bevatten naar de bepalingen krachtens welke de handelingen ongeoorloofd zijn in de Staat van de verzoekende autoriteit. 4. Het verzoek dient te zijn gesteld of vertaald in één van de officiële talen van de Staat van de aangezochte autoriteit, of in één van de officiële talen van de Raad van Europa. 5. In het verzoek worden genoemd: de verzoekende autoriteit en de aangezochte autoriteit; de gegevens die de verzoekende autoriteit verlangt, de personen of instanties die deze gegevens eventueel bezitten, of de plaats waar zij eventueel beschikbaar zijn; de redenen voor en het doel van het verzoek, en het gebruik dat de verzoekende autoriteit krachtens haar nationale wet van de gegevens zal maken; en de termijn waarop een antwoord wordt gewenst en, in geval van spoed, de redenen daarvoor.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel