Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK II

Artikel 6

Artikel 6

Onderdeel van Verdrag inzake handel met voorkennis· Strafrecht

Deze tekst geldt sinds 1 november 1994

1. Verzoeken om bijstand worden door de aangezochte autoriteit uitgevoerd in overeenstemming met de voorschriften en procedures voorzien in de wet van de Partij waaronder die autoriteit valt. 2. Indien noodzakelijk voor het verkrijgen van gegevens, en bij het ontbreken van specifieke bepalingen, moeten de voorschriften van de nationale wet voor het verkrijgen van bewijs kunnen worden toegepast door of namens de aangezochte autoriteit. Sancties voor schending van het beroepsgeheim zijn niet van toepassing ten aanzien van gegevens die moeten worden verstrekt in de loop van onderzoeken. 3. Deze bepalingen laten de rechten onverlet, die aan de verdachte ingevolge de nationale wet zijn toegekend. 4. Behalve voor zover strikt noodzakelijk voor de uitvoering van het verzoek, zijn de aangezochte autoriteit en de personen die belast zijn met de inwinning van de gevraagde gegevens, verplicht tot geheimhouding ten aanzien van het verzoek, de inhoud van het verzoek en de gegevens die in het kader van het verzoek worden verzameld. 5. Op het tijdstip van de aanwijzing van de autoriteit zoals voorzien in artikel 4, geeft elke Partij echter aan welke uitzonderingen op het in het vierde lid van dit artikel beschreven beginsel ingevolge haar nationale wet kunnen worden opgelegd of toegestaan ter zake van: hetzij de vrije toegang van burgers tot de overheidsarchieven te waarborgen; hetzij de op de aangewezen autoriteit rustende verplichting andere bestuurlijke of rechterlijke autoriteiten gegevens te verstrekken die zij heeft verkregen of verzameld naar aanleiding van het verzoek; hetzij, mits de verzoekende autoriteit hiervan in kennis is gesteld, het onderzoek naar schendingen van de wet van de aangezochte Partij en het toezicht op de naleving van die wet.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel