Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK III

Artikel 8

Ontvangende landen en gebruik van de middelen

Onderdeel van Overeenkomst tot oprichting van de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling· Arbitrage

Deze tekst geldt sinds 28 maart 1991

1. De middelen en faciliteiten van de Bank worden uitsluitend gebruikt om het doel te bereiken en de taken uit te voeren, onderscheidenlijk geregeld in de artikelen 1 en 2 van deze Overeenkomst. 2. De Bank kan haar werkzaamheden verrichten in landen in Midden- en Oost-Europa die gestadig vorderen met de overgang naar een markteconomie en de bevordering van het particuliere initiatief en de ondernemingsgeest, en die door middel van concrete stappen of anderszins de in artikel 1 van deze Overeenkomst vervatte beginselen toepassen. 3. In gevallen waarin een lid een beleid voert dat niet in overeenstemming is met artikel 1 van deze Overeenkomst, of in buitengewone omstandigheden, overweegt de Raad van Bewind of de toegang van een lid tot de middelen van de Bank dient te worden opgeschort of anderszins gewijzigd en kan voorstellen terzake doen aan de Raad van Gouverneurs. Een beslissing hierover wordt door de Raad van Gouverneurs genomen met een meerderheid van ten minste twee derde van de Gouverneurs die ten minste drie vierde van het totale aantal stemmen van de leden vertegenwoordigen. 4. Een mogelijk ontvangend land kan de Bank verzoeken toegang tot haar middelen te verschaffen voor bepaalde doeleinden gedurende een tijdvak van drie (3) jaar, ingaande na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst. Zodra een dergelijk verzoek is gedaan, wordt het als integrerend deel van deze Overeenkomst daaraan gehecht, Gedurende bedoeld tijdvak: verleent de Bank aan een zodanig land en aan ondernemingen op zijn grondgebied, op hun verzoek, technische bijstand en andere vormen van bijstand, bedoeld om zijn particuliere sector te financieren, de overgang van staatsbedrijven naar particuliere eigendom en leiding te vergemakkelijken en om ondernemingen te helpen concurrerend te werken en geleidelijk deel te nemen aan de markteconomie, met inachtneming van de in artikel 11, derde lid, van deze Overeenkomst genoemde verhouding. het totale bedrag van de aldus verleende bijstand mag niet hoger zijn dan het totale bedrag van de contanten en promessen die het betrokken land voor zijn aandelen heeft betaald dan wel uitgegeven. Aan het einde van genoemd tijdvak wordt het besluit om een zodanig land toegang te verlenen zonder de onder de letters a en b genoemde beperkingen, door de Raad van Gouverneurs genomen met een meerderheid van ten minste drie vierde van de Gouverneurs die ten minste vijfentachtig (85) procent van het totale aantal stemmen van de leden vertegenwoordigen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel