Naar hoofdinhoud
1. De verzoeken tot overbrenging uit hoofde van dit Verdrag en de antwoorden daarop geschieden schriftelijk. Indien zulks is overeengekomen tussen de ministeries van Justitie kunnen elektronische communicatiemiddelen worden gebruikt onder voorwaarden die het de ontvangende Staat mogelijk maken de authenticiteit vast te stellen en mits de communicatie schriftelijk wordt vastgelegd. 2. De verzoeken worden door het ministerie van Justitie van de verzoekende Staat aan het ministerie van Justitie van de aangezochte Staat gericht. De beantwoording van de verzoeken, alsmede alle met de verzoeken verband houdende correspondentie tussen beide Staten, vindt eveneens plaats door de ministeries van Justitie. 3. De aangezochte Staat stelt de verzoekende Staat onverwijld in kennis van zijn beslissing of hij instemt met het verzoek tot overbrenging.

Rechtspraak bij dit artikel