Naar hoofdinhoud
1. Een gevonniste persoon op wie dit Verdrag mogelijk van toepassing is, dient door de Staat van veroordeling en de Staat van tenuitvoerlegging van de strekking van dit Verdrag in kennis te worden gesteld. 2. Indien de gevonniste persoon zijn wens tot overbrenging ingevolge dit Verdrag aan de Staat van veroordeling kenbaar heeft gemaakt, dient die Staat de Staat van tenuitvoerlegging zo spoedig mogelijk , nadat het vonnis onherroepelijk en voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, daarvan in kennis te stellen. 3. De kennisgeving dient de navolgende inlichtingen te omvatten: de naam, geboortedatum en -plaats van de gevonniste persoon; zijn of haar eventuele adres in de Staat van tenuitvoerlegging, en indien Brazilië de Staat van tenuitvoerlegging is, de eventuele adressen van zijn of haar familie of naaste verwanten; een opgave van de feiten die aan de veroordeling ten grondslag liggen; de aard, duur en aanvangsdatum van de veroordeling. 4. Indien de gevonniste persoon zijn of haar wens tot overbrenging ingevolge dit Verdrag aan de Staat van tenuitvoerlegging kenbaar heeft gemaakt, doet de Staat van veroordeling desgevraagd die Staat de in het derde lid bedoelde inlichtingen toekomen. 5. De gevonniste persoon dient van elke door de Staat van veroordeling of door de Staat van tenuitvoerlegging ingevolge de vorenstaande leden ondernomen actie schriftelijk in kennis te worden gesteld, alsmede van elke door een van de beide Staten op een verzoek tot overbrenging genomen beslissing.

Rechtspraak bij dit artikel