Naar hoofdinhoud

Artikel 8

Bepaling van de vrijheidsstraf

Onderdeel van Verdrag tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschap inzake de tenuitvoerlegging van buitenlandse strafvonnissen· Internationaal privaatrecht Inclusief internationaal procesrecht

1. Indien de overdracht van de tenuitvoerlegging van een veroordeling tot een vrijheidsstraf is aanvaard, dienen de bevoegde autoriteiten van de Staat van tenuitvoerlegging: de tenuitvoerlegging van de in de Staat van veroordeling opgelegde straf onmiddellijk voort te zetten of op grond van een rechterlijke of administratieve beschikking op de in lid 4 van dit artikel vermelde voorwaarden, of de veroordeling door middel van een rechterlijke of administratieve procedure in een beslissing van die Staat om te zetten, waarbij voor de straf in de Staat van veroordeling opgelegd, een straf in de plaats wordt gesteld, zoals voorgeschreven voor hetzelfde strafbare feit naar het recht van de Staat van tenuitvoerlegging onder de in lid 5 van dit artikel vermelde voorwaarden. 2. De Staat van tenuitvoerlegging deelt desgevraagd de Staat van veroordeling mede welke van deze procedures door hem zal worden gevolgd. 3. Elke Lid-Staat kan bij de ondertekening van dit Verdrag of bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding door middel van een verklaring aangeven dat hij voornemens is de toepassing van een der in lid 1, onder a) en b), van dit artikel voorziene procedures in zijn betrekkingen met de andere Partijen uit te sluiten. 4. Indien de Staat van tenuitvoerlegging de in lid 1, onder a), van dit artikel voorziene procedure toepast, is hij gebonden aan het rechtskarakter en de duur van de in de Staat van veroordeling uitgesproken straf. Indien deze straf evenwel naar aard en duur onverenigbaar is met de wet van de Staat van tenuitvoerlegging, of indien de wet van die Staat zulks vereist, kan die Staat, door middel van een rechterlijke of administratieve beschikking, de straf aanpassen aan de straf die door zijn eigen wet voor een soortgelijk strafbaar feit is voorgeschreven. Wat de aard betreft, zal de straf zoveel mogelijk overeenstemmen met die welke door de ten uitvoer te leggen veroordeling is opgelegd. De door de Staat van veroordeling opgelegde straf zal hierdoor naar aard en duur niet worden verzwaard en evenmin zal het door de wet van de Staat van tenuitvoerlegging voor hetzelfde feit voorgeschreven maximum hierdoor worden overschreden. 5. Indien de Staat van tenuitvoerlegging de procedure voorzien in lid 1, onder b), van dit artikel toepast: is deze Staat gebonden aan de vaststelling van de feiten voor zover deze uitdrukkelijk of impliciet blijken uit de door de Staat van veroordeling uitgesproken rechterlijke beslissing; kan die Staat, behoudens een verklaring als bedoeld in lid 6 van dit artikel, een vrijheidsstraf in een geldstraf omzetten, indien de vrijheidsstraf een duur heeft van zes maanden of minder; zal die Staat de strafrechtelijke positie van de veroordeelde niet verzwaren en is hij niet gebonden aan een eventueel minimum waarin door zijn eigen wetgeving wordt voorzien voor het begane strafbare feit of de begane strafbare feiten. 6. Elke Lid-Staat kan bij gelegenheid van de ondertekening van dit Verdrag of van de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding in een verklaring aangeven, dat hij de toepassing van de procedure van omzetting, bedoeld in lid 5, onder b), van dit artikel, aanvaardt voor vrijheidsstraffen van een nadere bepaalde duur, welke minder bedraagt dan zes maanden. De andere Lid-Staten kunnen de regel van wederkerigheid toepassen. Voor voorlopige toepassing zie ook Trb. 2009/38. In de verhouding tussen het Koninkrijk der Nederlanden (Nederland) en Duitsland.

Rechtspraak bij dit artikel