Naar hoofdinhoud
1. Het bewijs van de nationaliteit overeenkomstig artikel 2 kan worden geleverd door middel van de navolgende documenten: voor de Macedoonse onderdanen: reisdocument: persoonlijk paspoort, diplomatiek paspoort, dienstpaspoort en laissez-passer (vrijgeleide); identiteitskaart; nationaliteitsbewijs vergezeld van een ander identificatiedocument dat van een foto is voorzien; voor de onderdanen van de Benelux-Staten: een geldig paspoort of paspoortvervangend reisdocument met foto (lais-sez-passer); een geldig nationaal identiteitsbewijs; een geldig militair identiteitsbewijs of een ander identiteitsbewijs van het personeel van de strijdkrachten met een foto van de houder; een geldig zeemansboekje; andere officiële documenten waaruit de nationaliteit van betrokkene blijkt, afgegeven door de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij en voorzien van een foto; een document, zoals hiervoor beschreven, waarvan de geldigheidsduur is verstreken op de datum waarop het verzoek om overname wordt verzonden. Wanneer dergelijke documenten worden voorgelegd, erkennen de Overeenkomstsluitende Partijen de nationaliteit zonder verdere formaliteiten. 2. Het begin van bewijs van de nationaliteit overeenkomstig artikel 2 kan worden geleverd door middel van de navolgende documenten of elementen: voor de Macedoonse onderdanen: één van de in lid 1, paragraaf (1), van dit artikel, genoemde documenten waarvan de geldigheidsduur is verstreken; een kopie van de in lid 1, paragraaf (1), van dit artikel genoemde documenten; een verklaring van betrokkene of van een betrouwbare getuigenverklaring vastgelegd in een door de bestuurlijke of gerechtelijke autoriteiten van de verzoekende Overeenkomstsluitende Partij opgesteld verslag; voor de onderdanen van de Benelux-Staten: een kopie van één van de in lid 1, paragraaf (2), van dit artikel, genoemde documenten; andere documenten die kunnen bijdragen tot het vaststellen van de nationaliteit van de betrokkene (rijbewijs, e.a.); een document waaruit een consulaire inschrijving blijkt, een nationaliteitsbewijs of een bewijs van de burgerlijke stand; een bedrijfspas; afschriften/kopieën van de onder streepje 2 tot en met 4, genoemde documenten; een betrouwbare getuigenverklaring; de verklaring van de betrokkene zelf. Wanneer dergelijke documenten of elementen worden voorgelegd, nemen de Overeenkomstsluitende Partijen de nationaliteit als vaststaand aan, tenzij de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij het tegendeel kan bewijzen. 3. Indien geen van de in lid 1 en 2 genoemde documenten of elementen kan worden voorgelegd, doch er naar de mening van de verzoekende Overeenkomstsluitende Partij een vermoeden bestaat met betrekking tot de nationaliteit van de terug te nemen persoon, dan treffen de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij de vereiste maatregelen om de nationaliteit van de betrokkene vast te stellen. De diplomatieke en consulaire vertegenwoordiging van de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij zal de persoon op verzoek van de verzoekende Overeenkomstsluitende Partij binnen drie werkdagen ondervragen teneinde zijn nationaliteit en/of identiteit vast te stellen. De diplomatieke en consulaire vertegenwoordiging van deze aangezochte Overeenkomstsluitende Partij zal aan betrokkene, onverwijld, een voor zijn terugkeer noodzakelijk document afgeven.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel