Naar hoofdinhoud
1. Een overeenkomstig de artikelen 6 en 7 gedaan verzoek tot strafvervolging wordt ingewilligd, behalve in de gevallen voorzien in de volgende leden van dit artikel. 2. Het verzoek wordt afgewezen: indien niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld in de artikelen 1 en 2; indien over het feit onherroepelijk is beslist in een Verdragsluitende Staat; indien ten aanzien van het feit in een derde Staat een onherroepelijke beslissing is genomen waarbij noch een straf noch een maatregel is opgelegd; indien ten aanzien van het feit in een derde Staat een onherroepelijke beslissing is genomen waarbij een straf of een maatregel is opgelegd, en de dader die straf, dan wel die maatregel, ondergaat, deze reeds heeft ondergaan of daarvan is vrijgesteld. 3. Het verzoek kan worden afgewezen: indien het feit van politieke aard is; indien het een militair delict betreft; indien het feit buiten het grondgebied van de verzoekende Staat is begaan; indien de verdachte niet de nationaliteit van een van de Verdragsluitende Staten bezit en hij ten tijde van het begaan van het strafbare feit noch zijn vaste woon- of verblijfplaats op het grondgebied van een van die Staten had, noch aldaar in hoofdzaak zijn beroep of bedrijf uitoefende; indien de vervolging in de aangezochte Staat niet tot een beslissing op tegenspraak kan leiden. 4. Indien na inwilliging van het verzoek blijkt dat een grond voor afwijzing bestaat, kan deze inwilliging worden ingetrokken indien het gaat om een der gronden vermeld in het derde lid. Betreft het een der in het tweede lid vermelde gronden, dan moet de inwilliging alsnog worden ingetrokken. 5. De inwilliging kan niet meer worden ingetrokken wanneer ten gevolge daarvan: in de aangezochte Staat onherroepelijk over het feit is beslist; de zaak aldaar ter terechtzitting aanhangig is gemaakt of tot een gerechtelijk vooronderzoek heeft geleid, tenzij blijkt van het bestaan van een grond tot afwijzing als vermeld in lid 2 of in lid 3, sub e).

Rechtspraak bij dit artikel