**1.** Ter bevordering van de doelstellingen en ter verzekering van de naleving van de bepalingen van dit Verdrag heeft elke Staat die Partij is bij dit Verdrag het recht de activiteiten van andere Staten die Partij zijn bij dit Verdrag op de zeebedding en de oceaanbodem en in de ondergrond daarvan buiten de in artikel I bedoelde zone door waarneming te controleren, mits die waarneming geen belemmering vormt voor die activiteiten.
**2.** Indien na zodanige waarneming gerede twijfel blijft bestaan aangaande de vervulling van de bij dit Verdrag aanvaarde verplichtingen, treden de Verdragspartij die zodanige twijfel koestert en de Verdragspartij die verantwoordelijk is voor de activiteiten die aanleiding geven tot die twijfel met elkaar in overleg, ten einde de twijfel op te heffen. Indien de twijfel blijft bestaan, geeft de Verdragspartij die twijfel blijft koesteren, daarvan kennis aan de andere Verdragspartijen, en de betrokken Partijen werken samen bij zodanige verdere verifïcatieprocedures als zij overeenkomen, met inbegrip van passende inspectie van voorwerpen, bouwsels, installaties of andere voorzieningen waarvan redelijkerwijze kan worden verwacht dat zij behoren tot de in artikel I omschreven soort. De Partijen in het gebied van de activiteiten, met inbegrip van iedere kuststaat, en elke andere Partij die daartoe het verzoek doet, hebben het recht deel te nemen aan zodanig overleg en zodanige samenwerking. Na het beëindigen van de verdere verificatieprocedures wordt een terzake dienend rapport aan de andere Partijen toegezonden door de Partij die het initiatief tot die procedures heeft genomen.
**3.** Indien de identiteit van de Staat die verantwoordelijk is voor de tot gerede twijfel aanleiding gevende activiteiten niet is vast te stellen door waarneming van het object, het bouwsel, de installatie of een andere voorziening, geeft de Verdragspartij die zodanige twijfel koestert hiervan kennis aan de Verdragspartijen in de regio waar de activiteiten plaatsvinden en aan iedere andere Verdragspartij en doet zij terzake navraag bij die Partijen. Indien door deze navraag kan worden vastgesteld dat een bepaalde Verdragspartij verantwoordelijk is voor de activiteiten, dient die Verdragspartij overleg te plegen en samen te werken met andere Partijen, zoals voorzien in lid 2 van dit artikel. Indien de identiteit van de voor de activiteiten verantwoordelijke Staat niet door deze navraag kan worden vastgesteld, kunnen verdere verificatieprocedures, met inbegrip van inspectie, worden ingesteld door de onderzoekende Verdragspartij, die daartoe de deelname dient in te roepen van de Partijen in de regio der activiteiten, met inbegrip van iedere kuststaat, en van elke andere Partij die hieraan wenst mede te werken.
**4.** Indien overleg en samenwerking overeenkomstig de leden 2 en 3 van dit artikel de twijfel aangaande de activiteiten niet hebben weggenomen en er ten aanzien van de vervulling van de bij dit Verdrag aanvaarde verplichtingen ernstige onzekerheid blijft bestaan, kan een Verdragspartij in overeenstemming met de bepalingen van het Handvest van de Verenigde Naties de zaak voorleggen aan de Veiligheidsraad, die alsdan overeenkomstig het Handvest kan optreden.
**5.** Verificatie ingevolge dit artikel kan worden ondernomen door iedere Verdragspartij met aanwending van haar eigen middelen of met volledige of gedeeltelijke bijstand van andere Verdragspartijen dan wel door middel van passende internationale procedures binnen het kader van de Verenigde Naties en in overeenstemming met het Handvest.
**6.** Verificatie-activiteiten ingevolge dit Verdrag dienen de activiteiten van andere Verdragspartijen niet te belemmeren en dienen te geschieden met gepaste eerbied voor krachtens het volkenrecht erkende rechten, met inbegrip van de vrijheden van de volle zee en de rechten van kuststaten ten aanzien van de exploratie en exploitatie van hun continentale plat.
Artikel III
Artikel III
Onderdeel van Verdrag tot verbod van de plaatsing van kernwapens en andere wapens voor massale vernietiging op de zeebedding en de oceaanbodem en in de ondergrond daarvan· Staats- en bestuursrecht
Deze tekst geldt sinds 14 januari 1976