Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk IV

Artikel 16

Artikel 16

Onderdeel van Overeenkomst inzake de bescherming van het cultureel en natuurlijk erfgoed van de wereld· Cultureel recht

Deze tekst geldt sinds 26 november 1992

1. Onverminderd eventuele aanvullende vrijwillige bijdragen nemen de Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst op zich regelmatig om de twee jaar aan het Fonds voor het Werelderfgoed bijdragen te betalen waarvan het bedrag, in de vorm van een uniform, voor alle Staten geldend percentage, zal worden bepaald door de algemene vergadering van de Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst tijdens de zittingen van de Algemene Vergadering van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur. Voor dit besluit van de algemene vergadering is een meerderheid vereist van de Staten partij bij deze Overeenkomst die aanwezig zijn en een stem uitbrengen en die geen verklaring hebben afgelegd als bedoeld in het tweede lid van dit artikel. In geen geval mag de verplichte bijdrage van de Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst meer bedragen dan 1 % van de bijdrage aan de Gewone Begroting van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur. 2. Elke in artikel 31 of 32 van deze Overeenkomst bedoelde Staat kan evenwel op het tijdstip van de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding verklaren dat hij zich niet gebonden acht door het bepaalde in het eerste lid van dit artikel. 3. Een Staat die partij is bij deze Overeenkomst en die de in het tweede lid van dit artikel bedoelde verklaring heeft afgelegd, kan deze verklaring te allen tijde herroepen door middel van een kennisgeving gericht tot de Directeur-Generaal van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur. De intrekking van de verklaring wordt evenwel ten aanzien van de door de Staat verschuldigde verplichte bijdrage niet van kracht voor de datum van de eerstvolgende algemene vergadering van de Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst. 4. Ten einde de Commissie in staat te stellen de uitvoering van de werken op doeltreffende wijze voor te bereiden, dienen de bijdragen van de Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst en die de in het tweede lid van dit artikel bedoelde verklaring hebben afgelegd, regelmatig te worden betaald, ten minste om de twee jaar, en niet minder te zijn dan de bijdragen die zij zouden hebben betaald indien zij gebonden waren geweest door het bepaalde in het eerste lid van dit artikel. 5. Een Staat die partij is bij deze Overeenkomst en die achterstallig is met de betaling van zijn verplichte of vrijwillige bijdrage over het lopende en het onmiddellijk daaraan voorafgaande kalenderjaar is niet verkiesbaar tot lid van de Commissie voor het Werelderfgoed, hoewel deze bepaling niet van toepassing is op de eerste verkiezing. De zittingsperiode van een zodanige Staat die reeds lid is van de Commissie eindigt op het tijdstip der verkiezingen, bedoeld in het eerste lid van artikel 8 van deze Overeenkomst.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel