Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK I

Artikel 1

Begripsomschrijvingen

Onderdeel van Verdrag inzake verkeerstekens· Vervoersrecht

Deze tekst geldt sinds 8 november 2008

Voor de toepassing van dit Verdrag hebben de onderstaande uitdrukkingen de daaraan in dit artikel toegekende betekenis: „Nationale wetgeving” van een Verdragsluitende Partij: het geheel van de nationale of plaatselijke wetten en voorschriften die op het grondgebied van die Verdragsluitende Partij van kracht zijn; „Bebouwde kom”: een gebied dat op de plaatsen waar men dit binnen- of uitrijdt door speciale verkeerstekens als zodanig wordt aangeduid, dan wel een gebied dat in de nationale wetgeving op andere wijze is omschreven; „Weg”: het gehele oppervlak van elke weg of straat die voor het openbaar verkeer openstaat; „Rijbaan”: dat deel van een weg dat gewoonlijk voor het verkeer met voertuigen wordt gebruikt; een weg kan een aantal rijbanen bevatten die duidelijk zichtbaar van elkaar gescheiden zijn, bijvoorbeeld door een scheidende strook of een verschil in niveau; „Rijstrook”: elk van de delen waarin de rijbaan in de lengterichting kan worden verdeeld, al of niet aangegeven door strepen op het wegdek in de lengterichting, welke rijstrook voldoende breed moet zijn voor één rij rijdende motorvoertuigen, anders dan motorfietsen; ,Fietsstrook’: een deel van de rijbaan dat voor fietsen bestemd is. Een fietsstrook wordt van de rest van de rijbaan onderscheiden door op het wegdek in de lengterichting aangebrachte tekens. ,Fietspad’: een aparte weg of deel van een weg bestemd voor fietsen en die of dat als zodanig wordt aangegeven. Een fietspad wordt van andere wegen of andere gedeelten van dezelfde weg gescheiden door fysieke maatregelen. „Kruising”: elke gelijkvloerse kruising, samenvoeging of splitsing van wegen, met inbegrip van de open stukken die door dergelijke kruisingen, samenvoegingen of splitsingen zijn ontstaan; „Overweg”: gelijkvloerse kruising tussen een weg en een spoor- of tramweg met vrije baan; „Autosnelweg”: een weg die speciaal is ontworpen en aangelegd voor verkeer met motorvoertuigen en waarop aanliggende percelen geen uitweg hebben en die behalve op bepaalde plaatsen of tijdelijk, is voorzien van gescheiden rijbanen voor beide verkeersrichtingen, welke rijbanen van elkaar gescheiden zijn hetzij door een scheidende strook die niet voor het verkeer is bestemd, hetzij, bij uitzondering, op andere wijze; geen andere weg, spoor- of tramweg of voetpad op hetzelfde niveau kruist; en door speciale verkeerstekens als autosnelweg is aangeduid. Een voertuig wordt geacht: „stilstaand” te zijn wanneer het niet in beweging is gedurende de tijd die nodig is om personen te laten in- of uitstappen of om goederen in of uit te laden; en „geparkeerd” te zijn wanneer het niet in beweging is om elke andere reden dan de noodzaak een conflictsituatie met een weggebruiker te vermijden of een botsing met een obstakel te vermijden, of om aan verkeersvoorschriften te voldoen, en wanneer de tijd gedurende welke het voertuig niet in beweging is niet is beperkt tot de tijd, nodig om personen te laten in- of uitstappen of om goederen in of uit te laden. Het staat de Verdragsluitende Partijen echter vrij voertuigen die niet in beweging zijn zoals bedoeld in bovenstaande subparagraaf (ii) als „stilstaand” te beschouwen gedurende een tijdsbestek dat de door de nationale wetgeving vastgestelde duur niet te boven gaat en niet in beweging zijnde voertuigen als „geparkeerd” te beschouwen wanneer deze voertuigen niet in beweging zijn zoals bedoeld in bovenstaande subparagraaf (i), en dit het geval is gedurende een tijdsbestek dat de door de nationale wetgeving vastgestelde duur wèl te boven gaat; „Fiets”: elk voertuig met ten minste twee wielen, dat uitsluitend wordt voortbewogen door de spierkracht van de berijders, in het bijzonder door middel van pedalen of van met de hand bewogen hefbomen; „Bromfiets”: elk voertuig met twee of drie wielen, dat is uitgerust met een verbrandingsmotor met een maximale cilinderinhoud van 50 cm3 en met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van ten hoogste 50 km per uur. Het staat de Verdragsluitende Partijen echter vrij krachtens hun nationale wetgeving niet als bromfietsen te beschouwen voertuigen die wat het gebruik betreft niet de eigenschappen van een fiets vertonen, in het bijzonder de eigenschap dat zij door pedalen kunnen worden voortbewogen, of waarvan de door de constructie bepaalde maximumsnelheid, het massa of bepaalde eigenschappen van de motor bepaalde grenzen overschrijden. Niets in deze omschrijving mag zó worden uitgelegd dat dit de Verdragsluitende Partijen zou beletten bromfietsen op dezelfde wijze te behandelen als fietsen wat betreft de toepassing van de bepalingen van hun nationale verkeerswetgeving; „Motorfiets”: elk voertuig op twee wielen, met of zonder zijspanwagen, dat is voorzien van een voortstuwende motor. De Verdragsluitende Partijen kunnen in hun nationale wetgeving ook driewielige voertuigen als motorfietsen aanmerken, mits het ledig massa daarvan maximaal 400 kg bedraagt. De uitdrukking „motorfiets” heeft geen betrekking op bromfietsen hoewel de Verdragsluitende Partijen, mits zij hiertoe een verklaring afleggen overeenkomstig artikel 46, tweede lid, van dit Verdrag, voor de toepassing van dit Verdrag bromfietsen als motorfietsen kunnen beschouwen; „Gemotoriseerd voertuig”: elk zichzelf over de weg voortstuwend voertuig anders dan een bromfiets, in de gebieden van de Verdragsluitende Partijen die bromfietsen niet als motorfietsen beschouwen, en anders dan een voertuig dat op rails wordt voortbewogen; „Motorvoertuig”: elk gemotoriseerd voertuig dat gewoonlijk wordt gebruikt voor het vervoer van personen of goederen langs de weg, of om voertuigen, die worden gebruikt voor het vervoer van personen of goederen, langs de weg voort te trekken. Deze uitdrukking omvat mede trolleybussen, dat wil zeggen voertuigen die in verbinding staan met een elektrische geleiding, en niet op rails rijden. Zij heeft geen betrekking op voertuigen zoals landbouwtrekkers, die slechts bij uitzondering worden gebruikt om personen of goederen langs de weg te vervoeren, of om voertuigen, die personen of goederen vervoeren, langs de weg te trekken; „Aanhangwagen”: elk voertuig dat is bestemd om door een gemotoriseerd voertuig te worden getrokken; de uitdrukking omvat tevens opleggers; „Oplegger”: elke aanhangwagen die is bestemd om dusdanig aan een motorvoertuig te worden gekoppeld dat een deel ervan op het motorvoertuig rust en dat een aanzienlijk deel van het massa van de oplegger en van de lading door het motorvoertuig wordt gedragen; „Bestuurder”: degene die een motorvoertuig of enig ander voertuig bestuurt (met inbegrip van een fiets), of die vee, hetzij enkele dieren hetzij in kudden, of trek-, last- of rijdieren op de weg onder zijn hoede heeft; „Maximum toegestaan massa”: het maximumgewicht van het voertuig in beladen toestand, toegelaten door het bevoegde gezag van de Staat waar het voertuig is ingeschreven; „Totaalgewicht”: het werkelijke massa van het voertuig, met inbegrip van lading, bemanning en passagiers; „Rijrichting” en „overeenkomstig de rijrichting”: de rechterzijde indien, ingevolge de nationale wetgeving, de bestuurder een tegemoetkomend voertuig aan zijn linkerzijde moet laten voorbijgaan; in het omgekeerde geval betekenen deze uitdrukkingen: de linkerzijde; Onder de eis dat de bestuurder andere voertuigen „voorrang” moet verlenen wordt verstaan dat hij niet mag doorrijden of een manoeuvre mag voortzetten, indien zulks de kans met zich zou brengen, dat bestuurders van andere voertuigen gedwongen worden de richting of de snelheid van hun voertuig plotseling te wijzigen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel