**1.** De enige lichten die kunnen worden gebruikt als voetgangerslichten zijn de volgende, met de hieronder aangegeven betekenis;
Niet-knipperende lichten:
Een groen licht betekent dat voetgangers mogen oversteken;
Een amber licht betekent dat voetgangers niet mogen oversteken, maar dat zij die zich reeds op de rijbaan bevinden naar de overkant mogen doorlopen;
Een rood licht betekent dat voetgangers zich niet op de rijbaan mogen begeven.
Knipperlichten: een groen knipperlicht betekent dat de periode waarin voetgangers de rijbaan mogen oversteken op het punt staat te worden beëindigd en dat het rode licht elk ogenblik kan aangaan.
**2.** Voetgangerslichten dienen bij voorkeur van het tweekleurenstelsel te zijn, met twee lichten, onderscheidenlijk één rood en één groen licht; zij kunnen echter ook van het driekleurenstelsel zijn met drie lichten, onderscheidenlijk één rood, één amber en één groen licht. Er mag nooit meer dan één licht tegelijk aan zijn.
**3.** De lichten dienen verticaal te zijn gerangschikt, met het rode licht altijd bovenaan en het groene licht altijd onderaan geplaatst.
Het rode licht dient bij voorkeur de vorm te hebben van een stilstaande voetganger of voetgangers en het groene licht die van een lopende voetganger of voetgangers.
**4.** Voetgangerslichten dienen zo te zijn ontworpen en gerangschikt, dat de mogelijkheid is uitgesloten dat zij door bestuurders kunnen worden aangezien voor verkeerslichten bestemd voor verkeer met voertuigen.
**5.** Voetgangerslichten bij voetgangersoversteekplaatsen mogen worden aangevuld met hoorbare of tastbare signalen om het oversteken van de rijbaan voor blinde voetgangers te vergemakkelijken.
HOOFDSTUK III
Artikel 24
Voetgangerslichten
Onderdeel van Verdrag inzake verkeerstekens· Vervoersrecht
Deze tekst geldt sinds 8 november 2008