Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK III

Artikel 23

Lichten voor het verkeer met voertuigen

Onderdeel van Verdrag inzake verkeerstekens· Vervoersrecht

Deze tekst geldt sinds 8 november 2008

1. Onder voorbehoud van de bepalingen in het twaalfde lid van dit artikel, zijn de enige lichten die mogen worden gebruikt als lichten om het verkeer met voertuigen te regelen, met uitzondering van die welke uitsluitend zijn bestemd voor voertuigen ten dienste van het openbaar vervoer, de volgende met de hieronder aangegeven betekenis: Niet-knipperende lichten: Een groen licht betekent dat het verkeer mag doorrijden; een groen licht voor de regeling van het verkeer bij een kruising houdt echter niet in dat bestuurders mogen doorrijden indien het verkeer, in de richting waarin zij willen doorrijden, zodanig is vastgelopen, dat zij, indien zij zich toch op de kruising zouden begeven, deze waarschijnlijk nog niet zouden hebben verlaten als de lichten verspringen; Een rood licht betekent dat het verkeer niet mag doorrijden; voertuigen mogen de stopstreep niet overschrijden of mogen, indien er geen stopstreep is, niet verder rijden dan tot het verkeerslicht, of het verkeer mag zich, indien het verkeerslicht in het midden of aan de overkant van een kruising is geplaatst, niet op die kruising begeven, noch op een voetgangersoversteekplaats bij die kruising; Een amber licht, dat hetzij alleen, hetzij tegelijk met het rode licht dient aan te gaan; wanneer het alleen aangaat betekent dit dat geen enkel voertuig de stopstreep of het verkeerslicht meer mag voorbijrijden, tenzij het de stopstreep of het verkeerslicht reeds zo dicht is genaderd, dat het niet meer op veilige wijze tot stilstand kan worden gebracht vóór de stopstreep of het verkeerslicht. Indien het verkeerslicht in het midden of aan de overkant van een kruising is geplaatst, betekent het aangaan van het amber licht dat een voertuig zich niet op de kruising of op een voetgangersoversteekplaats bij die kruising mag begeven, tenzij het de oversteekplaats of de kruising reeds zo dicht is genaderd als het licht aangaat, dat het niet meer op veilige wijze tot stilstand kan worden gebracht alvorens zich op de kruising of op de voetgangersoversteekplaats te begeven. Wanneer het amber licht tegelijk met het rode licht brandt, betekent dit dat de lichten op het punt staan te verspringen, maar dit oefent dan geen invloed uit op het verbod door te rijden bij rood licht; Knipperlichten: Een rood knipperlicht, of twee rode lichten die beurtelings knipperen, zo, dat het ene aan is terwijl het andere uit is, en die op dezelfde paal of standaard en op dezelfde hoogte zijn gemonteerd, en in dezelfde richting zijn afgesteld, betekent dat voertuigen niet over de stopstreep mogen rijden of, indien er geen stopstreep is, dat zij niet verder mogen rijden dan het verkeerslicht; deze lichten mogen uitsluitend worden gebruikt bij overwegen, bij toeritten van beweegbare bruggen of steigers van veerboten, en om aan te geven dat het verkeer niet mag doorrijden omdat brandweerwagens die weg oprijden, of omdat er een vliegtuig in aantocht is dat op geringe hoogte over de weg zal vliegen; Een enkel amber knipperlicht of twee amber lichten die beurtelings knipperen betekent dat bestuurders wel mogen doorrijden, maar dat zij zulks met grote voorzichtigheid dienen te doen. 2. De verkeerslichten van het driekleurenstelsel bestaan uit drie niet-knipperende lichten die onderscheidenlijk rood, amber en groen zijn; het groene licht mag alleen aan zijn wanneer het rode en het amber licht uit zijn. 3. De verkeerslichten van het tweekleurenstelsel bestaan uit een niet-knipperend rood licht en een niet-knipperend groen licht. Het rode licht en het groene licht mogen niet tegelijk aan zijn. Verkeerslichten van een tweekleurenstelsel mogen uitsluitend worden gebruikt voor een tijdelijke installatie, zulks met inachtneming van het tijdsbestek dat volgens artikel 3, derde lid, van dit Verdrag is toegestaan voor het vervangen van bestaande installaties. 3bis. De bepalingen van artikel 6, eerste, tweede en derde lid, van het Verdrag die betrekking hebben op verkeerstekens, zijn van toepassing op verkeerslichten, behalve die welke worden gebruikt bij overwegen. Verkeerslichten bij kruisingen dienen te worden geplaatst voor de kruising of in het midden van en boven de kruising; zij kunnen worden herhaald aan de overzijde van de kruising en/of op ooghoogte van de bestuurders. Daarnaast verdient het aanbeveling dat de nationale wetgeving bepaalt dat verkeerslichten: zo worden geplaatst dat zij voertuigen die zich in het verkeer op de rijbaan voortbewegen niet hinderen en, in geval van in de berm geplaatste verkeerslichten, dat zij voetgangers zo min mogelijk hinderen; gemakkelijk zichtbaar moeten zijn van een afstand en onmiddellijk te begrijpen wanneer men ze nadert; en op het grondgebied van elke Verdragsluitende Partij worden genormaliseerd voor de verschillende categorieën wegen. 4. De lichten van de driekleuren- en tweekleurenstelsels zoals bedoeld in het tweede en het derde lid van dit artikel, dienen verticaal of horizontaal te worden gerangschikt. 5. Indien de lichten verticaal zijn gerangschikt dient het rode licht bovenaan te worden geplaatst; indien de lichten horizontaal zijn gerangschikt dient het rode licht te worden geplaatst aan de zijde tegenovergesteld aan die van de rijrichting. 6. In het driekleurenstelsel dient het amber licht in het midden te worden geplaatst. 7. Alle lichten in de verkeerslichten van de driekleuren- en tweekleurenstelsels zoals bedoeld in het tweede en het derde lid van dit artikel dienen rond te zijn. De rode knipperlichten zoals bedoeld in het eerste lid van dit artikel dienen eveneens rond te zijn. 8. Een amber knipperlicht kan als enig licht worden geplaatst; een dergelijk licht kan eveneens worden gebruikt in plaats van het driekleurenstelsel gedurende perioden waarin er weinig verkeer is. 9. Het rode, amberkleurige en groene licht van een driekleurenstelsel mag worden vervangen door pijlen in dezelfde kleur op een zwarte achtergrond. De verlichte pijlen hebben dezelfde betekenis als de lichten, maar het verbod of de toestemming beperkt zich tot de richting of richtingen die door de pijl of pijlen worden aangeduid. Pijlen die betekenen dat het verkeer al dan niet rechtdoor mag rijden, dienen omhoog te wijzen. Hiervoor mogen zwarte pijlen op een rode, amberkleurige of groene achtergrond worden gebruikt. Deze pijlen hebben dezelfde betekenis als de bovengenoemde pijlen. 10. Indien een verkeerslicht van het driekleurenstelsel één of meer extra groene lichten bevat met één of meer pijlen, dan betekent het aangaan van de lichten in deze extra pijl of pijlen dat het verkeer mag doorrijden in de richting door deze pijl of pijlen aangeduid, ongeacht de fase waarin het driekleurenstelsel zich op dat ogenblik bevindt; het betekent tevens dat, indien voertuigen zich bevinden op een rijstrook die uitsluitend is bedoeld voor het verkeer in de richting die door de pijl is aangeduid of in de richting die dit verkeer moet inslaan, de bestuurders in de aangeduide richting moeten doorrijden indien zij, door te stoppen, het verkeer van de achter hen aan rijdende voertuigen op dezelfde rijstrook zouden belemmeren, met dien verstande dat zij de voertuigen in de verkeersstroom waarin zij op het punt staan zich te begeven, eerst moeten laten passeren en dat voetgangers niet in gevaar worden gebracht. Deze extra groene lichten dienen bij voorkeur in hetzelfde vlak naast het gewone groene licht te worden geplaatst. 11. Wanneer groene of rode lichten zijn geplaatst boven rijstroken die zijn aangegeven door strepen in de lengterichting van een rijbaan die meer dan twee rijstroken heeft, betekent het rode licht dat het verkeer niet mag doorrijden op de rijstrook waarboven het is geplaatst, en betekent het groene licht dat het verkeer op die rijstrook wèl mag doorrijden. Het aldus geplaatste rode licht dient de vorm te hebben van twee schuine, gekruiste balken en het aldus geplaatste groene licht dient de vorm te hebben van een pijl met de punt naar beneden. Indien het bevoegde gezag het noodzakelijk acht bij lichten een ,tussen- of overgangsteken' in te voeren, dient dit teken de vorm te hebben van een amberkleurige of witte diagonaal naar links of rechts beneden gerichte pijl, of twee van dergelijke respectievelijk naar links en rechts beneden gerichte pijlen; deze pijlen mogen knipperen. Deze amberkleurige of witte pijlen betekenen dat de rijstrook weldra voor het verkeer wordt gesloten en dat de weggebruikers op deze rijstrook zich op de door de pijl aangeduide rijstrook dienen te begeven. 12. De nationale wetgeving kan bepalen dat bij bepaalde overwegen een langzaam knipperend maanwit licht wordt geplaatst, welk licht betekent dat het verkeer mag doorrijden. 13. In die gevallen waarin verkeerslichten uitsluitend betrekking hebben op fietsers, kan deze beperking indien zulks nodig is om verwarring te voorkomen, worden aangeduid door het silhouet van een fiets in het licht zelf aan te brengen of door een licht van klein formaat te gebruiken, aangevuld met een rechthoekig bord waarop een fiets is afgebeeld.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel