**1.** Bij overwegen die zijn uitgerust met bomen, of met halve bomen die schuin tegenover elkaar aan elke zijde van de spoorlijn zijn geplaatst, betekent de aanwezigheid van dergelijke bomen of halve bomen dwars over de weg dat weggebruikers niet verder mogen rijden dan tot de dichtstbijzijnde boom of halve boom; de beweging van de bomen en de halve bomen, naar een positie dwars over de weg, heeft dezelfde betekenis.
**2.** Het branden van het rode licht of de rode lichten zoals vermeld in artikel 33, eerste lid, onder (a), van dit Verdrag, of het in werking zijn van het geluidssignaal, zoals vermeld in genoemd eerste lid, betekenen eveneens dat weggebruikers niet verder mogen rijden dan tot de stopstreep, of, indien er geen stopstreep is, niet verder dan tot het licht of het apparaat waarin het geluidssignaal is gemonteerd. Wanneer het amber licht van het driekleurenstelsel, vermeld in artikel 33, eerste lid, onder (a) (i), brandt, betekent dit dat weggebruikers niet verder mogen rijden dan tot de stopstreep, of, indien er geen stopstreep is, niet verder dan tot dat licht, tenzij het betrokken voertuig het amber licht zo dicht is genaderd wanneer dat licht gaat branden, dat het voertuig niet meer op veilige wijze vóór het teken tot stilstand kan worden gebracht.
HOOFDSTUK V › Titel
Artikel 34
Artikel 34
Onderdeel van Verdrag inzake verkeerstekens· Vervoersrecht
Deze tekst geldt sinds 8 november 2008