Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK V › Titel

Artikel 36

Artikel 36

Onderdeel van Verdrag inzake verkeerstekens· Vervoersrecht

Deze tekst geldt sinds 8 november 2008

1. Wegens het bijzondere gevaar dat overwegen opleveren, verplichten de Verdragsluitende Partijen zich ertoe: vóór alle overwegen een van de gevaarstekens te laten plaatsen met een van de symbolen A,25, A,26 of A,27; zo'n teken hoeft echter niet geplaatst te worden: in bijzondere gevallen die zich binnen de bebouwde kom kunnen voordoen; op onverharde wegen en paden waarop slechts bij uitzondering verkeer met gemotoriseerde voertuigen voorkomt; alle overwegen uit te rusten met bomen of met halve bomen of met een signaal dat voor naderende treinen waarschuwt, tenzij weggebruikers de spoorbaan aan beide zijden van de overweg over een zo grote afstand kunnen zien dat, rekening houdende met de maximumsnelheid van de treinen, de bestuurder van een voertuig op de weg die de spoorbaan van één van beide zijden nadert wanneer een trein in zicht is, voldoende tijd heeft om te stoppen alvorens zich op de overweg te begeven, en tenzij voorts weggebruikers die zich reeds op de overweg bevinden wanneer een trein in zicht komt, voldoende tijd hebben om de andere zijde van de overweg te bereiken; het staat de Verdragsluitende Partijen echter vrij van de bepalingen van deze subparagraaf af te wijken bij overwegen waar treinen betrekkelijk langzaam rijden of waar slechts weinig verkeer met gemotoriseerde voertuigen op de weg is; elke overweg met bomen of met halve bomen, die worden bediend vanaf een plaats waar de bomen of halve bomen niet zichtbaar zijn, te laten uitrusten met een van de stelsels voor het geven van signalen ter waarschuwing dat een trein nadert, zoals bedoeld in artikel 33, eerste lid, van dit Verdrag; elke overweg met bomen of met halve bomen die automatisch worden gesloten door het naderen van een trein, te laten uitrusten met een van de stelsels voor het geven van signalen ter waarschuwing dat een trein nadert, zoals bedoeld in artikel 33, eerste lid, van dit Verdrag; ten einde bomen en halve bomen beter zichtbaar te maken, deze te laten uitrusten met reflecterend materiaal of met reflectoren en, zo nodig, ze 's nachts te verlichten; bovendien, op wegen waar 's nachts een dicht verkeer is van motorvoertuigen, de gevaarstekens, die op enige afstand vóór de overweg zijn geplaatst, uit te rusten met reflecterend materiaal of met reflectoren en, zo nodig, ze 's nachts te verlichten; waar mogelijk, dicht bij overwegen uitgerust met bomen of met halve bomen, in de lengterichting op het midden van de rijbaan een teken op het wegdek aan te brengen dat voertuigen die de overweg naderen verbiedt zich op de weghelft te begeven die is bestemd voor verkeer uit de tegenovergestelde richting, of zelfs verkeerseilanden aan te brengen die het verkeer in beide richtingen scheiden. 2. De bepalingen van dit artikel dienen niet te worden toegepast in de gevallen waarnaar wordt verwezen in de laatste zin van artikel 35, tweede lid, van dit Verdrag.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel