Naar hoofdinhoud

Artikel 11

Financiën

Onderdeel van Verdrag tot oprichting van de Wereldorganisatie voor de Intellectuele Eigendom (OMPI/WIPO), zoals gewijzigd op 28 september 1979· Intellectuele eigendom

Deze tekst geldt sinds 9 januari 1975

1). De Organisatie heeft twee afzonderlijke begrotingen: de begroting van de gemeenschappelijke uitgaven van de Unies en de begroting van de Conferentie. 2). De begroting van de gemeenschappelijke uitgaven van de Unies omvat de ramingen voor de uitgaven die van belang zijn voor verscheidene Unies. De begroting wordt gefinancierd uit de volgende inkomsten: De bijdragen van de Unies, met dien verstande dat het bedrag van de bijdrage van elke Unie wordt vastgesteld door de Algemene Vergadering van deze Unie, waarbij rekening wordt gehouden met de mate waarin de gemeenschappelijke uitgaven worden verricht in het belang van genoemde Unie; de taksen en gelden verschuldigd voor diensten verleend door het Internationale Bureau die niet rechtstreeks in verband staan met een der Unies of die niet worden ontvangen voor diensten verleend door het Internationale Bureau op het gebied van de technisch-juridische bijstand; de opbrengst van de verkoop van de publikaties van het Internationale Bureau die niet rechtstreeks een der Unies betreffen en de rechten welke op deze publikaties betrekking hebben; giften, legaten en subsidies welke de Organisatie ontvangt, met uitzondering van die bedoeld in het derde lid, onder letter b, sub iv); huuropbrengsten, renten en overige inkomsten van de Organisatie. 3). De begroting van de Conferentie omvat de ramingen van uitgaven voor het houden van de zittingen van de Conferentie en voor het programma voor technisch-juridische bijstand. Deze begroting wordt gefinancierd uit de volgende inkomsten: de bijdragen van de Staten die partij zijn bij dit Verdrag en geen lid zijn van een der Unies; de gelden die eventueel door de Unies ter beschikking van deze begroting worden gesteld, met dien verstande dat het bedrag dat door elke Unie ter beschikking wordt gesteld, door de Algemene Vergadering van deze Unie wordt vastgesteld en dat het iedere Unie vrij staat niet aan deze begroting bij te dragen; de gelden ontvangen voor diensten verleend door het Internationale Bureau op het gebied van de technisch-juridische bijstand; giften, legaten en subsidies welke de Organisatie ontvangt voor de doeleinden genoemd onder letter a). 4). Ter vaststelling van zijn bijdrage aan de begroting van de Conferentie wordt elke Staat die partij is bij dit Verdrag doch geen lid is van een der Unies, ingedeeld in een klasse en betaalt hij zijn jaarlijkse bijdragen op basis van een als volgt bepaald aantal eenheden: Klasse A.......... Klasse B.......... Klasse C.......... 10 3 1 Op het tijdstip waarop hij een der handelingen verricht bedoeld in het eerste lid van artikel 14, geeft elke zodanige Staat de klasse aan waarin hij wenst te worden gerangschikt. Hij kan van klasse veranderen. Wanneer hij een lagere klasse kiest, moet de Staat zulks aan de Conferentie mededelen tijdens een der gewone zittingen. Een dergelijke verandering gaat in bij het begin van het kalenderjaar volgend op dat van genoemde zitting. De jaarlijkse bijdrage van elke zodanige Staat bestaat in een bedrag, waarvan de verhouding tot de som van de jaarlijkse bijdragen van alle zodanige Staten aan de begroting van de Conferentie dezelfde is als de verhouding tussen het aantal eenheden van de klasse waarin hij is ondergebracht, en het totale aantal eenheden van de genoemde Staten gezamenlijk. De bijdragen zijn ieder jaar op 1 januari verschuldigd. Ingeval een begroting niet is vastgesteld voor de aanvang van het nieuwe begrotingsjaar, wordt de begroting van het voorafgaande jaar aangehouden volgens de werkwijze voorzien in het financieel reglement. 5). Elke Staat die partij is bij dit Verdrag, doch geen lid is van een der Unies en die achterstallig is met de betaling van zijn bijdragen volgens het bepaalde in dit artikel, evenals elke Staat die partij is bij dit Verdrag, lid is van een der Unies en die achterstallig is met de betaling van zijn bijdragen voor deze Unie, kan in geen der organen van de Organisatie waarvan hij lid is zijn stemrecht uitoefenen, indien het bedrag van zijn achterstalligheid gelijk is aan of hoger is dan dat der bijdragen verschuldigd over twee volledige verstreken jaren. Zulk een Staat kan evenwel vergund worden de uitoefening van zijn stemrecht in het desbetreffende orgaan te behouden, zolang dit orgaan van oordeel is dat de achterstalligheid wordt veroorzaakt door uitzonderlijke en onvermijdelijke omstandigheden. 6). Het bedrag der taksen en der gelden verschuldigd voor door het Internationale Bureau verleende diensten op het gebied van de technisch-juridische bijstand, wordt vastgesteld door de Directeur-Generaal, die daarover verslag uitbrengt aan de Coördinatiecommissie. 7). Met goedkeuring van de Coördinatiecommissie kan de Organisatie giften, legaten en subsidies ontvangen die rechtstreeks afkomstig zijn van regeringen, publieke of particuliere instellingen, verenigingen of particulieren. 8). De Organisatie bezit een operationeel fonds, gevormd door een eenmalige storting van de Unies en van elke Staat die partij is bij dit Verdrag en geen lid is van een der Unies. Indien het fonds ontoereikend blijkt, wordt tot bijstorting besloten. Het bedrag van de eenmalige storting van elke Unie en dat van haar eventuele deelneming aan elke bijstorting worden vastgesteld door de Algemene Vergadering van die Unie. Het bedrag van de eenmalige storting van elke Staat die partij is bij dit Verdrag en die geen lid is van een Unie en zijn deelneming aan een aanvulling zijn evenredig aan de bijdrage van die Staat voor het jaar waarin het fonds is gesticht of tot bijstorting is besloten. Het aandeel en de wijze van storting worden vastgesteld door de Conferentie op voorstel van de Directeur-Generaal en na ingewonnen advies van de Coördinatiecommissie. 9). De Overeenkomst betreffende de zetelvestiging, gesloten met de Staat op welks grondgebied de Organisatie haar zetel heeft, bepaalt dat, indien het operationele fonds niet toereikend is, die Staat voorschotten verstrekt. Het bedrag van deze voorschotten en de voorwaarden waaronder zij worden verstrekt, vormen telkenmale het onderwerp van afzonderlijke overeenkomsten tussen de betrokken Staat en de Organisatie. Zolang deze Staat gehouden is voorschotten te verstrekken beschikt hij van rechtswege over een zetel in de Coördinatiecommissie. De Staat bedoeld onder letter a) en de Organisatie hebben elk het recht de overeenkomst tot het verstrekken van voorschotten schriftelijk op te zeggen. De opzegging wordt van kracht drie jaar na afloop van het jaar waarin de kennisgeving is gedaan. 10). Het nazien der rekeningen wordt verricht op de wijze voorzien in het financiële reglement, door een of meer Lid-Staten of door onafhankelijke controleurs, die, met hun instemming, zijn aangewezen door de Algemene Vergadering.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel