Naar hoofdinhoud
1. Indien en voor zover zulks tussen de bestuurders van de ondernemingen, waartoe de betrokken mijnen behoren, schriftelijk is overeengekomen, mogen, met overschrijding van de in artikel 1 bedoelde ontginningsgrens en in afwijking van het in artikel 4, eerste en tweede lid, van het op 23 oktober 1950 te Brussel tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België gesloten verdrag bepaalde, kolenlagen worden ontgonnen: in het in artikel 1, onder a, bedoelde deel van de aan Nederlandse zijde gelegen mijn van die aan Belgische zijde uit en in het in artikel 1, onder b, bedoelde deel van de aan Belgische zijde gelegen mijn van die aan Nederlandse zijde uit en mogen de in verband met zodanige ontginning nodige ontsluitingswerkzaamheden worden uitgevoerd, een en ander echter niet dan nadat het Toezicht op de Mijnen van beide Staten heeft verklaard tegen de desbetreffende werkzaamheden uit hoofde van de algemene veiligheid bij de mijnontginning en de veiligheid in de ondergrondse werken geen bezwaar te hebben. 2. Een schriftelijke overeenkomst als in het eerste lid bedoeld dient te beantwoorden aan eventuele bijzondere eisen, waaraan naar gemeenschappelijk oordeel van het Toezicht op de Mijnen van beide Staten met het oog op de veiligheid in de ondergrondse werken moet worden voldaan.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel