Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk II

Artikel 10

Artikel 10

Onderdeel van Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Ivoorkust inzake het luchtvervoer· Vervoersrecht

Deze tekst geldt sinds 24 augustus 1964

1). Elke Overeenkomstsluitende Partij heeft het recht een luchtvaartmaatschappij aan te wijzen voor de exploitatie van de overeengekomen diensten op de aangegeven routes en doet hiervan mededeling aan de andere Overeenkomstsluitende Partij. 2). Na ontvangst van deze mededeling houdende aanwijzing dient de andere Overeenkomstsluitende Partij, behoudens de bepalingen van lid 3 van dit artikel en die van artikel 11 van deze Overeenkomst, onverwijld aan de aangewezen luchtvaartmaatschappij de passende exploitatievergunningen te verlenen. 3). De luchtvaartautoriteiten van een der Overeenkomstsluitende Partijen kunnen verlangen dat de door de andere Overeenkomstsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappij het bewijs levert, dat zij in staat is te voldoen aan de voorwaarden welke op het gebied van de exploitatie van de internationale luchtdiensten worden voorgeschreven door de wetten en voorschriften die gewoonlijk en redelijkerwijze, overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag inzake de Internationale Burgerluchtvaart, door de genoemde autoriteiten worden toegepast. Ingevolge artikel 1, vierde lid, van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de West-Afrikaanse economische en monetaire unie inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten van 30 november 2009 (Pb. EU L 56 van 6 maart 2010, blz. 16-36) wordt vanaf 21 februari 2011, wanneer in de tekst van de bilaterale Overeenkomst wordt verwezen naar de vervoerders of de luchtvaartmaatschappijen van het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Ivoorkust, dit verstaan als een verwijzing naar de door het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Ivoorkust aangeduide vervoerders of luchtvaartmaatschappijen (Trb. 2012/224). De bepalingen van artikel 2, tweede lid, van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de West-Afrikaanse economische en monetaire unie inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten van 30 november 2009 (Pb. EU L 56 van 6 maart 2010, blz. 16 36) hebben vanaf 21 februari 2011 voorrang op de overeenkomstige bepalingen van dit artikel (Trb. 2012/224). De bepalingen van artikel 4, tweede en derde lid, van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de West-Afrikaanse economische en monetaire unie inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten van 30 november 2009 (Pb. EU L 56 van 6 maart 2010, blz. 16-36) vormen vanaf 21 februari 2011 een aanvulling op de overeenkomstige bepalingen van dit artikel (Trb. 2012/224). Ingevolge artikel 1, vierde lid, van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de West-Afrikaanse economische en monetaire unie inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten van 30 november 2009 (Pb. EU L 56 van 6 maart 2010, blz. 16-36) wordt vanaf 21 februari 2011, wanneer in de tekst van de bilaterale Overeenkomst wordt verwezen naar de vervoerders of de luchtvaartmaatschappijen van het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Ivoorkust, dit verstaan als een verwijzing naar de door het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Ivoorkust aangeduide vervoerders of luchtvaartmaatschappijen (Trb. 2012/224). De bepalingen van artikel 2, tweede lid, van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de West-Afrikaanse economische en monetaire unie inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten van 30 november 2009 (Pb. EU L 56 van 6 maart 2010, blz. 16 36) hebben vanaf 21 februari 2011 voorrang op de overeenkomstige bepalingen van dit artikel (Trb. 2012/224). De bepalingen van artikel 4, tweede en derde lid, van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de West-Afrikaanse economische en monetaire unie inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten van 30 november 2009 (Pb. EU L 56 van 6 maart 2010, blz. 16-36) vormen vanaf 21 februari 2011 een aanvulling op de overeenkomstige bepalingen van dit artikel (Trb. 2012/224).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel