**1).** Elke Overeenkomstsluitende Partij heeft het recht de exploitatievergunningen voorzien in lid 2 van artikel 10 niet te verlenen, indien de genoemde Overeenkomstsluitende Partij er niet van overtuigd is dat een aanzienlijk deel van de eigendom van en het daadwerkelijk toezicht op die maatschappij berusten bij de Overeenkomstsluitende Partij welke de maatschappij heeft aangewezen of bij onderdanen van deze Overeenkomstsluitende Partij.
**2).** Elke Overeenkomstsluitende Partij heeft het recht een exploitatievergunning in te trekken of de uitoefening door de luchtvaartmaatschappij aangewezen door de andere Overeenkomstsluitende Partij, van de rechten omschreven in artikel 9 van deze Overeenkomst, te schorsen indien:
zij er niet van overtuigd is dat een aanzienlijk deel van de eigendom van en het daadwerkelijk toezicht op die maatschappij berusten bij de Overeenkomstsluitende Partij die de maatschappij heeft aangewezen of bij onderdanen van deze Overeenkomstsluitende Partij, of indien
deze maatschappij zich niet gehouden heeft aan de in artikel 5 bedoelde wetten en voorschriften van de Overeenkomstsluitende Partij die de rechten heeft verleend, of indien
deze maatschappij de exploitatie niet uitvoert onder de voorwaarden gesteld in deze Overeenkomst.
**3).** Tenzij de intrekking of de schorsing noodzakelijk is om nieuwe inbreuken op de bedoelde wetten en voorschriften te voorkomen, kan een zodanig recht niet worden uitgeoefend dan na overleg met de andere Overeenkomstsluitende Partij, als voorzien in artikel 6. In geval dit overleg faalt, wordt overgegaan tot een scheidsrechterlijke uitspraak, overeenkomstig artikel 8.
Ingevolge artikel 1, derde lid, van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de West-Afrikaanse economische en monetaire unie inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten van 30 november 2009 (Pb. EU L 56 van 6 maart 2010, blz. 16-36) wordt vanaf 21 februari 2011, wanneer in de tekst van de bilaterale Overeenkomst wordt verwezen naar de onderdanen van het Koninkrijk der Nederlanden, dit verstaan als een verwijzing naar de onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie en wanneer in de tekst van de bilaterale Overeenkomst wordt verwezen naar de onderdanen van de Republiek Ivoorkust, dit verstaan als een verwijzing naar de onderdanen van de lidstaten van de West-Afrikaanse economische en monetaire Unie (Trb. 2012/224). De bepalingen van artikel 3, tweede lid, van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de West-Afrikaanse economische en monetaire unie inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten van 30 november 2009 (Pb. EU L 56 van 6 maart 2010, blz. 16 36) hebben vanaf 21 februari 2011 voorrang op de overeenkomstige bepalingen van dit artikel (Trb. 2012/224). Ingevolge artikel 1, vierde lid, van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de West-Afrikaanse economische en monetaire unie inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten van 30 november 2009 (Pb. EU L 56 van 6 maart 2010, blz. 16-36) wordt vanaf 21 februari 2011, wanneer in de tekst van de bilaterale Overeenkomst wordt verwezen naar de vervoerders of de luchtvaartmaatschappijen van het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Ivoorkust, dit verstaan als een verwijzing naar de door het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Ivoorkust aangeduide vervoerders of luchtvaartmaatschappijen (Trb. 2012/224).
Ingevolge artikel 1, derde lid, van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de West-Afrikaanse economische en monetaire unie inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten van 30 november 2009 (Pb. EU L 56 van 6 maart 2010, blz. 16-36) wordt vanaf 21 februari 2011, wanneer in de tekst van de bilaterale Overeenkomst wordt verwezen naar de onderdanen van het Koninkrijk der Nederlanden, dit verstaan als een verwijzing naar de onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie en wanneer in de tekst van de bilaterale Overeenkomst wordt verwezen naar de onderdanen van de Republiek Ivoorkust, dit verstaan als een verwijzing naar de onderdanen van de lidstaten van de West-Afrikaanse economische en monetaire Unie (Trb. 2012/224). De bepalingen van artikel 3, tweede lid, van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de West-Afrikaanse economische en monetaire unie inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten van 30 november 2009 (Pb. EU L 56 van 6 maart 2010, blz. 16 36) hebben vanaf 21 februari 2011 voorrang op de overeenkomstige bepalingen van dit artikel (Trb. 2012/224). Ingevolge artikel 1, vierde lid, van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de West-Afrikaanse economische en monetaire unie inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten van 30 november 2009 (Pb. EU L 56 van 6 maart 2010, blz. 16-36) wordt vanaf 21 februari 2011, wanneer in de tekst van de bilaterale Overeenkomst wordt verwezen naar de vervoerders of de luchtvaartmaatschappijen van het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Ivoorkust, dit verstaan als een verwijzing naar de door het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Ivoorkust aangeduide vervoerders of luchtvaartmaatschappijen (Trb. 2012/224).
Hoofdstuk II
Artikel 11
Artikel 11
Onderdeel van Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Ivoorkust inzake het luchtvervoer· Vervoersrecht
Deze tekst geldt sinds 24 augustus 1964