Naar hoofdinhoud
(1). De Regering van elk der Beneluxlanden verklaart zich bereid gevolg te geven aan verzoeken van de autoriteiten van de Bondsrepubliek Duitsland om door tussenkomst van de autoriteiten van de Beneluxlanden doortocht te verlenen aan personen die geen onderdaan zijn van een der Staten, die Partij zijn bij deze Overeenkomst, indien het overnemen door het land van bestemming en, voor zover noodzakelijk, de doortocht door andere landen verzekerd is. (2). De doortocht kan geweigerd worden, indien de persoon: in een ander land van doortocht of in het land van bestemming zou komen bloot te staan aan politieke vervolging of aan strafvervolging, dan wel hem de tenuitvoerlegging van een strafrechtelijk vonnis te wachten zou staan, of bij de doortocht door het gebied van het Beneluxland, waartoe het verzoek om doortocht te verlenen is gericht aan strafvervolging, dan wel aan de tenuitvoerlegging van een strafrechtelijk vonnis zou zijn blootgesteld. (3). Een doorreisvisum van de Beneluxlanden is niet vereist. (4). Ondanks verleende vergunning kunnen de met het oog op de doortocht overgenomen personen weer aan de autoriteiten van de Bondsrepubliek Duitsland worden overgegeven, indien zich later feiten voordoen of aan het licht komen, die zich tegen deze doortocht verzetten, dan wel indien een ander land de doortocht, of het land van bestemming de overname van de met het oog op doortocht overgenomen personen weigert.

Rechtspraak bij dit artikel