Naar hoofdinhoud
(1). De Regering van elk der Beneluxlanden neemt op verzoek van de Franse autoriteiten personen over die op het Beneluxgebied hun hoofdverblijf hebben en die, geen onderdaan zijnde van een der bij deze Overeenkomst partij zijnde landen, op grond van een visum op wettige wijze Frankrijk zijn binnengekomen, mits het verzoek is ingediend binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf het verstrijken van de geldigheidsduur van het visum. (2). De Regering van elk der Beneluxlanden neemt op verzoek van de Franse autoriteiten personen over die hun hoofdverblijf op het Beneluxgebied hebben en die, geen onderdaan zijnde van een der bij deze Overeenkomst partij zijnde landen, op grond van een paspoort of enig ander daarvoor in de plaats tredend document op wettige wijze Frankrijk zijn binnengekomen, mits het verzoek is ingediend binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf het verstrijken van de termijn gedurende welke deze vreemdelingen zich vrijelijk in Frankrijk mogen verplaatsen. (3). Het verzoek tot overneming is niet vereist, wanneer de in de leden (1) en (2) bedoelde personen in het bezit zijn van een door de autoriteiten van een der Beneluxlanden afgegeven geldige verblijfsvergunning. Op vertoon van deze verblijfsvergunning kunnen deze personen weer worden overgegeven aan de grensautoriteiten, die hen zonder formaliteiten overnemen. (4). De verplichting tot overneming bestaat niet: ten aanzien van onderdanen van een derde land dat in Europa een gemeenschappelijke grens met Frankrijk heeft, tenzij ernstige redenen zich tegen hun verwijdering naar het grondgebied van dat derde land verzetten; ten aanzien van de in de leden (1) en (2) bedoelde vreemdelingen die na hun vertrek uit het Beneluxgebied in Frankrijk een verblijfsvergunning van tenminste zes maanden hebben verkregen. (5). Als hun hoofdverblijf in de zin van de leden (1) en (2) van dit artikel hebbend worden beschouwd zij die in het wettig bezit zijn van een vergunning tot verblijf welke in een van de Beneluxlanden is afgegeven en een geldigheidsduur heeft van tenminste zes maanden.

Rechtspraak bij dit artikel