Naar hoofdinhoud

DEEL XI

Artikel 71

Artikel 71

Onderdeel van Europese Code inzake Sociale Zekerheid (herzien)· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht

1. Wanneer dit artikel wordt toegepast, moet het bedrag van een periodieke betaling ten minste gelijk zijn aan het in een van de twee volgende letters bedoelde percentage voor een gerechtigde die als alleenstaande wordt aangemerkt, of voor een gerechtigde met personen ten laste, zoals dit is aangegeven in de bij dit Deel gevoegde tabel: voor een gerechtigde die als alleenstaande wordt aangemerkt moet dit bedrag ten minste gelijk zijn aan het percentage van de vroegere inkomsten van de gerechtigde of diens kostwinner voor de betreffende eventualiteit; voor een gerechtigde met personen ten laste, moet het bedoelde bedrag, vermeerderd met het bedrag van eventueel tijdens de eventualiteit verstrekte kinderbijslag, ten minste gelijk zijn aan het in deze tabel voor de betreffende eventualiteit aangegeven percentage van het totaal van de vroegere inkomsten uit arbeid van de gerechtigde of van zijn kostwinner en het bedrag van eventuele kinderbijslag, verstrekt aan een beschermde persoon die dezelfde gezinslasten heeft als deze gerechtigde. 2. De vroegere inkomsten uit arbeid van de gerechtigde of van zijn kostwinner moeten overeenkomstig voorgeschreven regels worden vastgesteld; wanneer de beschermde personen of hun kostwinners zijn ingedeeld in klassen naar hun inkomsten uit arbeid, kunnen de vroegere inkomsten worden vastgesteld naar het basisinkomen van de klasse waartoe zij hebben behoord. 3. Het bedrag van de periodieke betaling of het arbeidsinkomen dat als basis voor de berekening van de uitkering wordt genomen, kan aan een maximum worden gebonden, mits dit maximum zodanig wordt vastgesteld dat voldaan wordt aan de bepalingen van het eerste lid van dit artikel wanneer de vroegere inkomsten uit arbeid van de gerechtigde of van zijn kostwinner minder bedragen dan of gelijk zijn aan die van een geschoolde arbeider. 4. De vroegere inkomsten uit arbeid van de gerechtigde of van zijn kostwinner, het loon van de geschoolde arbeider, de periodieke betaling en de kinderbijslag moeten worden berekend naar dezelfde tijdbasis. 5. Wanneer volgens de wetgeving van een Partij de periodieke betalingen aan belastingen of premies voor sociale zekerheid zijn onderworpen, worden voor de toepassing van dit artikel als vroegere inkomsten uit arbeid van de gerechtigde of zijn kostwinner in aanmerking genomen: de bruto inkomsten vóór inhouding van belastingen of premies voor sociale zekerheid, in welk geval de periodieke betaling die met deze inkomsten moet worden vergeleken de bruto periodieke betaling, vóór inhouding van belastingen of premies voor sociale zekerheid, is; of de netto inkomsten na inhouding van belastingen of premies voor sociale zekerheid, in welk geval de periodieke betaling die met deze inkomsten moet worden vergeleken de netto periodieke betaling, na inhouding van belastingen of premies voor sociale zekerheid, is. 6. Wanneer volgens de wetgeving van een Partij de periodieke betalingen noch aan belasting noch aan premies voor sociale zekerheid zijn onderworpen, kunnen voor de toepassing van dit artikel de netto inkomsten uit arbeid na inhouding van belastingen of premies voor sociale zekerheid in aanmerking worden genomen als inkomsten uit arbeid van de gerechtigde of zijn kostwinner. 7. Voor de toepassing van dit artikel wordt als geschoolde arbeider aangemerkt: een bankwerker of draaier in de mechanische industrie, met uitzondering van de vervaardiging van elektrische apparaten; of een geschoolde arbeider zoals omschreven in de bepalingen van het volgende lid; of een persoon wiens arbeidsinkomen gelijk is aan 125 % van het gemiddelde arbeidsinkomen van alle beschermde personen. 8. De geschoolde arbeider, bedoeld in letter b van het voorgaande lid, moet worden gekozen uit de klasse die het grootste aantal tegen de betrokken eventualiteit beschermde personen of kostwinners van beschermde personen omvat, in de bedrijfstak die het grootste aantal van deze beschermde personen of van die kostwinners telt; daarbij moet gebruik worden gemaakt van de internationale industriële standaardclassificatie van alle takken van economische bedrijvigheid, aangenomen door de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties in zijn zevende zitting op 27 augustus 1948 en in zijn in 1968 herziene vorm, als bijlage bij deze (herziene) Code gevoegd, met inachtneming van de wijzigingen welke daarin eventueel nog worden aangebracht. 9. Wanneer de uitkeringen van streek tot streek verschillen, kan voor elke streek een ongeschoolde arbeider worden gekozen overeenkomstig de bepalingen van het zevende en achtste lid van dit artikel. 10. Het loon van de overeenkomstig het zevende lid, letter a of b, van dit artikel gekozen geschoolde arbeider, met inbegrip van eventuele duurtetoeslagen, wordt bepaald naar het loon voor een normaal aantal arbeidsuren, vastgesteld hetzij bij collectieve arbeidsovereenkomst, hetzij bij of krachtens de nationale wetgeving, hetzij krachtens gewoonte; wanneer de aldus vastgestelde lonen van streek tot streek verschillen en wanneer het voorgaande lid niet wordt toegepast, wordt uitgegaan van het gemiddelde loon. 11. Bij de vaststelling van de invaliditeits-, ouderdoms- of nabestaandenuitkeringen wordt het bedrag van de vroegere inkomsten uit arbeid van de betrokkene of van zijn kostwinner, dat voor de berekening van de periodieke betalingen ter zake van invaliditeit, ouderdom of het overlijden van de kostwinner, onder voorgeschreven voorwaarden herzien bij aanmerkelijke veranderingen in het algemene loonpeil of in de kosten van levensonderhoud. 12. Het bedrag van lopende periodieke betalingen ter zake van invaliditeit, ouderdom of het overlijden van de kostwinner en voor de in artikel 32, eerste lid, letters c en d, bedoelde eventualiteiten wordt onder voorgeschreven voorwaarden herzien bij aanmerkelijke veranderingen in het algemene loonpeil of in de kosten van levensonderhoud.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel