Naar hoofdinhoud

DEEL XI

Artikel 72

Artikel 72

Onderdeel van Europese Code inzake Sociale Zekerheid (herzien)· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht

1. Wanneer dit artikel wordt toegepast, moet het bedrag van een periodieke betaling ten minste gelijk zijn aan het in een van de twee volgende letters bedoelde percentage voor een gerechtigde die als alleenstaande wordt aangemerkt, of, voor een gerechtigde met personen ten laste, zoals dit is aangegeven in de bij dit Deel gevoegde tabel: voor een gerechtigde die als alleenstaande wordt aangemerkt moet dit bedrag ten minste gelijk zijn aan het percentage van het wettelijke minimumloon of minimum gewaarborgd loon, of van het loon van een ongeschoolde arbeider; voor een gerechtigde met personen ten laste, moet het bedoelde bedrag, vermeerderd met dat van eventueel tijdens de eventualiteit verstrekte kinderbijslag ten minste gelijk zijn aan het in de tabel voor de betreffende eventualiteit aangegeven percentage van het totaal van het wettelijk minimumloon of gewaarborgd minimum loon, of van het loon van een ongeschoolde arbeider, en het bedrag van eventuele kinderbijslag, verstrekt aan een beschermde persoon die dezelfde gezinslasten heeft als deze gerechtigde. 2. Het minimumloon, het loon van een ongeschoolde arbeider, de periodieke betaling en de kinderbijslag moeten worden berekend naar dezelfde tijdbasis. 3. Wanneer volgens de wetgeving van een Partij de periodieke betalingen aan belastingen of premies voor sociale zekerheid zijn onderworpen, wordt voor de toepassing van dit artikel als minimum loon of loon van een ongeschoolde arbeider in aanmerking genomen: het bruto loon vóór inhouding van belastingen of premies voor sociale zekerheid, in welk geval de periodieke betaling die met dit loon moet worden vergeleken, de bruto periodieke betaling, vóór inhouding van belastingen of premies voor sociale zekerheid, is; of het netto loon na inhouding van belastingen of premies voor sociale zekerheid, in welk geval de periodieke betaling die met dit loon moet worden vergeleken, de netto periodieke betaling na inhouding van belastingen of sociale premies, is. 4. Wanneer volgens de wetgeving van een Partij de periodieke betalingen noch aan belastingen noch aan sociale premies zijn onderworpen, kan voor de toepassing van dit artikel het netto salaris na inhouding van belastingen of premies voor sociale zekerheid in aanmerking worden genomen als het minimumloon of het loon van een ongeschoolde arbeider. 5. Voor de toepassing van dit artikel wordt als ongeschoolde arbeider aangemerkt: een ongeschoolde arbeider in de mechanische industrie, met uitzondering van de vervaardiging van elektrische apparaten; of een ongeschoolde arbeider, zoals omschreven in de bepalingen van het volgende lid. 6. De ongeschoolde arbeider, bedoeld in letter b van het voorgaande lid, moet worden gekozen uit de klasse die het grootste aantal tegen de betrokken eventualiteit beschermde personen of kostwinners van beschermde personen omvat, in de bedrijfstak die het grootste aantal van deze beschermde personen of die kostwinners telt; daarbij moet gebruik worden gemaakt van de internationale industriële standaardclassificatie van alle takken van economische bedrijvigheid, aangenomen door de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties in zijn zevende zitting op 27 augustus 1948, en in zijn in 1968 herziene vorm, als bijlage bij deze (herziene) Code gevoegd, zulks met inachtneming van de wijzigingen welke daarin eventueel nog worden aangebracht. 7. Wanneer de uitkeringen van streek tot streek verschillen, kan voor elke streek een ongeschoolde arbeider worden gekozen overeenkomstig de bepalingen van het vijfde en zesde lid van dit artikel. 8. Het minimumloon, ofwel het loon van de overeenkomstig het vijfde lid, letter a of b, van dit artikel gekozen ongeschoolde arbeider die als zodanig wordt aangemerkt, met inbegrip van eventuele duurtetoeslagen, wordt bepaald naar het loon voor een normaal aantal arbeidsuren, vastgesteld hetzij bij collectieve arbeidsovereenkomst, hetzij bij of krachtens de nationale wetgeving, hetzij krachtens gewoonte; wanneer de aldus vastgestelde lonen van streek tot streek verschillen en wanneer het voorgaande lid niet wordt toegepast, wordt uitgegaan van het gemiddelde loon. 9. Ten aanzien van deeltijdwerk moet het percentage dat overeenkomt met de norm worden gehandhaafd, maar periodieke betalingen kunnen in evenredigheid worden verminderd. 10. Het bedrag van lopende periodieke betalingen ter zake van invaliditeit, ouderdom of het overlijden van de kostwinner en voor de in artikel 32, eerste lid, letters c en d, bedoelde eventualiteiten wordt onder voorgeschreven voorwaarden herzien bij aanmerkelijke veranderingen in het algemene loonpeil of in de kosten van levensonderhoud.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel