Naar hoofdinhoud

DEEL I

Artikel 1

Artikel 1

Onderdeel van Verdrag betreffende de huisvesting van de bemanning aan boord van schepen (aanvullende bepalingen)· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht

Deze tekst geldt sinds 27 augustus 1991

1. Dit Verdrag is van toepassing op elk zeeschip, hetzij in bezit van de overheid, hetzij in particulier bezit, dat voor handelsdoeleinden wordt gebruikt voor het vervoer van goederen of passagiers, dan wel voor enig ander commercieel doel wordt gebezigd, dat te boek is gesteld in een gebied waarvoor dit Verdrag van kracht is, en waarvan de kiel is gelegd of de bouw in een overeenkomstige fase van ontwikkeling was op de datum waarop dit Verdrag voor dat gebied in werking is getreden of op een latere datum. 2. De nationale wetgeving bepaalt welke schepen voor de toepassing van dit Verdrag als zeeschepen dienen te worden beschouwd. 3. Dit Verdrag is van toepassing op sleepboten, voor zover dit redelijk en uitvoerbaar is. 4. Dit Verdrag is niet van toepassing op: schepen van minder dan 1000 registerton; schepen die hoofdzakelijk door middel van zeilen worden voorbewogen, ongeacht het feit of zij al of niet zijn uitgerust met hulpmotoren; schepen die gebruikt worden in de visserij, in de walvisvaart of voor soortgelijke doeleinden; draagvleugelboten en luchtkussenvaartuigen. 5. Dit Verdrag is echter, voor zover zulks redelijk en uitvoerbaar is, wel van toepassing op: schepen tussen 200 en 1000 ton; de accommodatie van personeel voor de normale diensten aan oord van schepen, die gebruikt worden in de walvisvaart of voor soortgelijke doeleinden. 6. Bovendien kan ten aanzien van elk schip van de volledige toepassing van enige bepaling van artikel 3 van dit Verdrag worden afgeweken, indien de bevoegde autoriteit, na overleg met de organisaties van reders en/of de reders en met de erkende bona fide vakbonden van zeevarenden, van oordeel is, dat de wijzigingen een verbetering betekenen, als gevolg waarvan de omstandigheden over het geheel genomen niet minder gunstig zijn dan die, welke het gevolg zouden zijn van de volledige toepassing van de bepalingen van dit Verdrag. Bijzonderheden omtrent al deze wijzigingen dienen door het betrokken Lid te worden medegedeeld aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau. 7. Bovendien bepaalt de bevoegde autoriteit, na overleg met de organisaties van reders en/of de reders en met de erkende bona fide vakbonden van zeevarenden, de mate waarin het, rekening houdend met de behoefte aan accommodatie voor het vrij van dienst zijnde zeevarende personeel, toelaatbaar is uitzonderingen te maken op of af te wijken van de bepalingen van dit Verdrag ten aanzien van: zeewaardige veerboten, bevoorradingsschepen en soortgelijke schepen, die niet voortdurend over een permanente bemanning beschikken; zeeschepen, wanneer het personeel voor het uitvoeren van herstelwerkzaamheden tijdelijk is toegevoegd aan de bemanning van het schip; zeeschepen die gebruikt worden voor korte reizen, zodat het voor de bemanningsleden mogelijk is om iedere dag naar huis te gaan of gebruik te maken van vergelijkbare mogelijkheden.

Rechtspraak bij dit artikel