**1.** De ligging, de constructie en de indeling van, alsmede de toegang tot de bemanningsverblijven ten opzichte van andere ruimten, dienen zodanig te zijn dat veiligheid, bescherming tegen weersinvloeden en tegen zeewater, isolering tegen hitte en koude, alsmede bescherming tegen overmatig lawaai of uitwaseming van andere ruimten voldoende worden gewaarborgd.
**2.** Voor zover noodzakelijk dienen alle bemanningsverblijven van nooduitgangen te worden voorzien.
**3.** Indien enigszins mogelijk dienen rechtstreekse open verbindingen tussen de nachtverblijven en visruimen, opslagruimten voor vismeel, ruimten waar machines zijn opgesteld, kombuizen, opslagplaatsen voor lantaarns en verf, opslagplaatsen voor machines, opslagplaatsen aan dek en andere algemene bergplaatsen, droogruimten, gemeenschappelijke wasgelegenheden en W.C.'s te worden vermeden. Het schot dat deze ruimten scheidt van de nachtverblijven en verder naar buiten gelegen schotten dienen op degelijke wijze te zijn vervaardigd van staal of ander deugdelijk materiaal en dienen water- en gasdicht te zijn.
**4.** Buitenschorten van slaap- en eetruimten dienen een behoorlijk isolerend vermogen te hebben. De schotten van de machinekamer, alsmede alle buitenschorten van kombuizen en andere ruimten waarin zich warmte ontwikkelt, dienen een behoorlijk isolerend vermogen te hebben, indien de mogelijkheid bestaat dat deze warmte kan doordringen in de aangrenzende verblijven of gangen. Tevens dienen voorzieningen te worden getroffen die bescherming waarborgen tegen warmte die wordt uitgestraald door stoom- en/of warmwaterleidingen.
**5.** Binnenschotten dienen van goedgekeurd materiaal te zijn vervaardigd, dat onvatbaar is voor ongedierte.
**6.** Om te voorkomen dat zich condenswater vormt en ter voorkoming van oververhitting, moeten nacht- en dagverblijven, ontspanningsruimten en gangen binnen de ruimte die door de bemanningsverblijven wordt ingenomen, behoorlijk geïsoleerd zijn.
**7.** De stoomtoe- en afvoerleidingen van lieren en dergelijke werktuigen mogen, wanneer dit technisch mogelijk is, niet door de verblijven van de bemanning lopen, of door de daarmede in verbinding staande gangen. Moeten deze leidingen echter toch door deze verblijven of gangen worden gelegd, dan dienen zij behoorlijk geïsoleerd te zijn en door kokers te lopen.
**8.** Panelen in en de bekleding van het interieur dienen te bestaan uit materiaal waarvan het oppervlak gemakkelijk kan worden schoongemaakt. Beschot met groef en messing of iedere andere constructievorm, waarin ongedierte kan binnendringen, mag niet worden gebruikt.
**9.** De bevoegde autoriteit beslist in hoeverre er bij de bouw van de verblijven brandwerende of brandvertragende voorzieningen dienen te worden getroffen.
**10.** De schotten en het onderdeks van de nacht- en dagverblijven dienen gemakkelijk te kunnen worden schoongehouden en, indien zij zijn geverfd, licht van kleur te zijn; er mag geen witkalk voor worden gebruikt.
**11.** De bekleding van schotten wordt, indien nodig, vernieuwd of hersteld.
**12.** Het dek van alle bemanningsverblijven dient van daarvoor goedgekeurd materiaal te zijn vervaardigd, waarvan het oppervlak vochtbestendig en gemakkelijk te reinigen is; de constructie van de dekken dient eveneens te worden goedgekeurd.
**13.** Open dekken boven bemanningsverblijven dienen te worden bekleed met hout of ander even sterk isolerend materiaal.
**14.** Bij gebruik van compositievloeren dienen de verbindingen met de schotten te worden afgerond om spleten te vermijden.
**15.** Er dient voor voldoende afvoer te worden gezorgd.
**16.** Alles dient in het werk te worden gesteld om te voorkomen dat vliegen en andere insecten binnendringen in de verblijven van de bemanning.
DEEL III
Artikel 6
Artikel 6
Onderdeel van Verdrag betreffende de accommodatie aan boord van vissersschepen· Agrarisch recht
Deze tekst geldt sinds 12 mei 1977