Ten aanzien van elke periodieke betaling waarop dit artikel van toepassing is:
moet het bedrag van de uitkering worden vastgesteld naar een voorgeschreven tarief of naar een tarief, vastgesteld door het bevoegde overheidsorgaan, overeenkomstig voorgeschreven regelen;
kan het bedrag van de uitkering slechts worden verminderd in de mate waarin de overige inkomsten van het gezin van de gerechtigde een voorgeschreven of door het bevoegde overheidsorgaan overeenkomstig voorgeschreven regelen vastgesteld aanzienlijk bedrag te boven gaan;
moet, na aftrek van het in de vorige alinea bedoelde aanzienlijke bedrag, het totaal van de uitkering en de overige inkomsten voldoende zijn om aan het gezin van de gerechtigde gezonde en passende levensvoorwaarden te verzekeren; het mag niet minder bedragen dan het bedrag van de uitkering, berekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 27;
wordt aan het bepaalde in de voorgaande alinea geacht te zijn voldaan, indien het totaalbedrag van de krachtens het desbetreffende deel betaalde uitkeringen ten minste 30 procent meer bedraagt dan het totaalbedrag der uitkeringen dat men zou verkrijgen bij toepassing van de bepalingen van artikel 27 en de bepalingen van:
alinea b van het eerste lid van artikel 9, wat betreft deel II;
alinea b van het eerste lid van artikel 16, wat betreft deel III;
alinea b van het eerste lid van artikel 22, wat betreft deel IV.
Deel V
Artikel 28
Artikel 28
Onderdeel van Verdrag betreffende uitkeringen bij invaliditeit en ouderdom en aan nagelaten betrekkingen· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht
Deze tekst geldt sinds 27 oktober 1970