Voor de toepassing van dit Protocol wordt verstaan onder:
„Mijn”: elk stuk munitie geplaatst onder, op, of vlak boven de grond of ander oppervlak en ontworpen om te ontploffen of te exploderen door de aanwezigheid of nabijheid van of het contact met een persoon of voertuig, en onder „op afstand gelegde mijn”: een aldus omschreven mijn overgebracht door artillerie, raketten, mortieren of soortgelijke middelen, of afgeworpen vanuit een vliegtuig.
„Valstrikmijn”: een mechanisme of stof ontworpen, geconstrueerd of aangepast om te doden of letsel toe te brengen en dat onverwacht werkt wanneer een persoon een ogenschijnlijk onschuldig voorwerp aanraakt of nadert, of een ogenschijnlijk veilige handeling verricht.
„Andere mechanismen”: met de hand geplaatste munitie en mechanismen ontworpen om te doden, letsel of schade toe te brengen en die in werking worden gesteld door bediening op afstand, dan wel automatisch na het verstrijken van een bepaalde tijd.
„Militair doel”: voor zover het objecten betreft, ieder object dat naar zijn aard, ligging, bestemming of gebruik een daadwerkelijke bijdrage tot de krijgsverrichtingen levert en waarvan de gehele of gedeeltelijke vernietiging, verovering of onbruikbaarmaking onder de omstandigheden van dat moment een duidelijk militair voordeel oplevert.
„Burgerobjecten”: alle objecten die geen militaire doelen zijn zoals omschreven onder punt 4.
„Registratie”: een feitelijke, administratieve en technische handeling, verricht met het oogmerk, ten behoeve van opneming in de officiële registers, alle beschikbare informatie te verkrijgen waardoor de plaatsbepaling van mijnenvelden, mijnen en valstrikmijnen wordt vergemakkelijkt.
Artikel 2
Begripsomschrijvingen
Onderdeel van Protocol inzake het verbod of de beperking van het gebruik van mijnen, valstrikmijnen en andere mechanismen (Protocol II)· Staats- en bestuursrecht
Deze tekst geldt sinds 18 december 1987