Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK III

Artikel 23

Optionele bijdrageplicht van de Staten die Partij zijn

Onderdeel van Internationaal Verdrag inzake aansprakelijkheid en vergoeding voor schade in verband met het vervoer over zee van gevaarlijke en schadelijke stoffen, 1996· Internationaal privaatrecht Inclusief internationaal procesrecht

1. Onverminderd het bepaalde in artikel 21, vijfde lid, kan elke Staat die Partij is op het tijdstip van nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding of op elk tijdstip daarna verklaren dat hij verplichtingen overneemt die op grond van dit Verdrag rusten op personen die ingevolge artikel 18, 19, 20 of artikel 21, vijfde lid, gehouden zijn aan het fonds bij te dragen voor gevaarlijke en schadelijke stoffen die op het grondgebied van die Staat zijn ontvangen of gelost. Deze verklaring wordt schriftelijk gedaan en vermeldt welke verplichtingen worden overgenomen. 2. Indien een verklaring als bedoeld in het eerste lid is afgelegd alvorens dit Verdrag ingevolge artikel 46 in werking treedt, dient zij te worden nedergelegd bij de secretaris-generaal; deze doet daarvan na de inwerkingtreding van dit Verdrag mededeling aan de directeur. 3. Een verklaring als bedoeld in het eerste lid die wordt afgelegd na de inwerkingtreding van dit Verdrag, dient te worden nedergelegd bij de directeur. 4. Elke Staat die een verklaring heeft afgelegd overeenkomstig dit artikel, kan deze intrekken door daarvan schriftelijk kennis te geven aan de directeur. Een zodanige kennisgeving wordt drie maanden na haar ontvangst door de directeur van kracht. 5. Elke Staat die door een verklaring als bedoeld in dit artikel is gebonden, doet, wanneer tegen hem voor de bevoegde rechter ten aanzien van enige verplichting als in de verklaring omschreven een geding wordt aangespannen, afstand van elk mogelijk beroep op immuniteit.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel