Naar hoofdinhoud
(1). Indien een natuurlijk persoon met woonplaats in een van de Staten inkomsten verkrijgt uit niet-zelfstandige arbeid, heeft de andere Staat het recht tot belastingheffing voor deze inkomsten, indien de arbeid in de andere Staat wordt uitgeoefend. (2). In afwijking van het eerste lid kunnen inkomsten uit niet-zelfstandige arbeid slechts in de Staat worden belast, waar de werknemer zijn woonplaats heeft, indien deze werknemer tijdelijk in totaal niet meer dan 183 dagen gedurende een kalenderjaar, in de andere Staat verblijft, voor zijn gedurende deze tijd uitgeoefende werkzaamheden vergoeding ontvangt van een werkgever, die zijn woonplaats niet in de andere Staat heeft en voor zijn werkzaamheden niet ten laste van een zich in de andere Staat bevindende vaste inrichting of duurzame inrichting van de werkgever vergoeding ontvangt. (2a). Niettegenstaande de voorgaande bepalingen van dit artikel, kunnen inkomsten uit niet-zelfstandige arbeid, die worden verkregen door een natuurlijke persoon die in een van de Staten zijn woonplaats heeft en die ten laste komen van een op een grensoverschrijdend bedrijventerrein gelegen vaste bedrijfsinrichting, waar de gemeenschappelijke grens tussen de Staten doorheen loopt, slechts worden belast in de Staat waarin de persoon zijn woonplaats heeft, tenzij deze persoon ingevolge de Verordening (EEG) 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 (Publicatieblad L 149 van 5 juli 1971) of op grond van een verordening van de Europese Unie, die na de ondertekening van het Derde Aanvullend Protocol daarvoor in de plaats komt, aan de rechtsregels van de andere Staat is onderworpen. Indien de persoon ingevolge de Verordening (EEG) 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 of op grond van een verordening van de Europese Unie, die na de ondertekening van het Derde Aanvullend Protocol daarvoor in de plaats komt, aan de rechtsregels van de andere Staat is onderworpen, dan kunnen de inkomsten in de andere Staat worden belast. (3). Indien een natuurlijk persoon voortdurend of overwegend aan boord van schepen of luchtvaartuigen van een scheepvaart- of luchtvaartonderneming diensten verricht, wordt de arbeid geacht te zijn uitgeoefend in de Staat, waar de plaats van de leiding van de onderneming zich bevindt. Zolang deze Staat de inkomsten uit zodanige arbeid niet belast, heeft de woonstaat het recht tot belastingheffing voor deze inkomsten. Van toepassing a.op belastingen aan de bron geheven over bedragen die op of na 1 januari 2005 worden genoten;b.op de overige van het inkomen of het vermogen geheven belastingen, die worden geheven voor belastingjaren vanaf 1 januari 2005 (Trb. 2004/185).

Rechtspraak bij dit artikel