Naar hoofdinhoud
(1). Indien een persoon met woonplaats in een van de Staten als ondernemer of medeondernemer inkomsten verkrijgt uit een onderneming op het gebied van handel, nijverheid of enige andere tak van niet-agrarisch bedrijf waarvan de werkzaamheid zich tot op het gebied van de andere Staat uitstrekt, heeft de andere Staat het recht tot belastingheffing voor deze inkomsten slechts voor zover deze aan een zich aldaar bevindende vaste inrichting van de onderneming zijn toe te rekenen. (2). Daarbij moeten aan de vaste inrichting die inkomsten worden toegerekend, die zij behaald zou hebben, indien zij een zelfstandige onderneming ware, die dezelfde of soortgelijke werkzaamheden uitoefende onder dezelfde of soortgelijke omstandigheden en als een onafhankelijke onderneming zaken deed. (3). Het eerste lid is van toepassing zowel op de inkomsten welke door rechtstreekse exploitatie en gebruik als op die welke door verhuring, verpachting en elke andere vorm van exploitatie van de onderneming worden verkregen, en op inkomsten uit de vervreemding van een bedrijf in zijn geheel, van een aandeel in de onderneming, van een deel van het bedrijf of van een zaak, die in het bedrijf wordt gebruikt. (4). Indien een onderneming van een van de Staten een vaste bedrijfsinrichting op het tot het grondgebied van de andere Staat behorende deel van een grensoverschrijdend bedrijventerrein heeft, dan wordt de bedrijfsinrichting voor de belastingheffing over de inkomsten van de onderneming niet beschouwd als een vaste inrichting. Dit laat artikel 10 onverlet. (5). Indien een op een grensoverschrijdend bedrijventerrein gevestigde vaste bedrijfsinrichting van een onderneming van een van de Staten wordt verplaatst naar een buiten dit grensoverschrijdend bedrijventerrein gelegen plaats of wordt verplaatst binnen dit grensoverschrijdend bedrijventerrein en met deze verplaatsing het recht tot belastingheffing over de inkomsten van de onderneming overgaat naar de andere Staat, dan kan de eerstgenoemde Staat op verzoek bij grote onbillijkheid toestaan dat de belasting, die als gevolg van de verplaatsing verschuldigd wordt, in gelijkmatige termijnen wordt voldaan over een periode van ten hoogste vijf jaren te rekenen vanaf de dag waarop deze voor het eerst verschuldigd is. Van grote onbillijkheid is sprake, indien aan de verplaatsing oorzaken ten grondslag liggen die niet te wijten zijn aan de onderneming zelf. Van toepassing: a.op belastingen aan de bron geheven over bedragen die op of na 1 januari 2005 worden genoten;b.op de overige van het inkomen of het vermogen geheven belastingen, die worden geheven voor belastingjaren vanaf 1 januari 2005. De bepalingen van het eerste lid zijn van toepassing op belastingen van het inkomen, die worden geheven voor belastingjaren vanaf 1 januari 2003 (Trb. 2004/185).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel