**1.** Staten welke partij zijn bij de in de Preambule van dit Verdrag bedoelde Overeenkomst van 15 februari 1952, of welke in geld of in natura hebben bijgedragen tot de bij die Overeenkomst ingestelde Raad en daadwerkelijk aan het werk van de Raad hebben deelgenomen, hebben het recht lid te worden van de Organisatie door partij te worden bij dit Verdrag in overeenstemming met de bepalingen van de artikelen XV, XVI en XVII.
**2.** Andere Staten kunnen door de in artikel IV bedoelde Raad tot de Organisatie worden toegelaten krachtens een met eenparigheid van stemmen genomen beslissing van alle Lidstaten.
Indien een Staat zich overeenkomstig de bepalingen van artikel III, lid 2 a, wenst aan te sluiten bij de Organisatie, doet die Staat daarvan mededeling aan de President van de Raad. Uiterlijk drie maanden vóór de behandeling van dit verzoek door de Raad, doet de President aan alle Lidstaten mededeling van de indiening van dit verzoek. De Staten welke door de Raad zijn aangenomen, kunnen lid worden van de Organisatie door overeenkomstig de bepalingen van artikel XVII toe te treden tot dit Verdrag.
**3.** Elke Lidstaat verstrekt de President van de Raad schriftelijk een opgave van de programma's waaraan hij wenst deel te nemen. Geen enkele Staat heeft het recht lid van de Organisatie te worden, of te blijven, indien hij niet aan ten minste één van de programma's die een onderdeel van het basisprogramma vormen, deelneemt.
**4.** De Raad kan, met een twee derde meerderheid van alle Lidstaten, tegelijk met het tijdvak waarvoor ten minste aan enig programma moet worden deelgenomen, de grens vaststellen die de aan bedoeld programma gedurende dat tijdvak ten koste te leggen bedragen niet mogen overschrijden. Zijn dit tijdvak van deelneming en deze kostengrens aldus eenmaal vastgesteld, dan kan de Raad, met dezelfde meerderheid, zowel het een als de andere wijzigen, tenzij een aan dat programma deelnemende Lidstaat tegenstemt. Een Lidstaat kan, met inachtneming van een minimumtijdvak als hierboven bedoeld, de President van de Raad er te allen tijde schriftelijk van in kennis stellen dat hij zich uit een programma wil terugtrekken; zodanige uittreding gaat in aan het eind van het boekjaar volgend op dat waarin de uittreding is aangekondigd, of op een daarvoor door de Lidstaat voorgesteld later tijdstip.
**5.** In het geval dat een programma wordt beëindigd, is de Raad voor de afwikkeling daarvan verantwoordelijk, met inachtneming van eventuele overeenkomsten die de Lidstaten die aan dat programma deelnemen op dat ogenblik met elkaar kunnen aangaan, en tevens met inachtneming van de ter zake dienende voorwaarden van enige overeenkomst die van kracht is tussen de Organisatie en de Staten op wier grondgebied het programma wordt uitgevoerd. Een eventueel overschot wordt onder de Lidstaten die, op het ogenblik waarop het programma wordt beëindigd, daaraan deelnemen, verdeeld op basis van de door hen in verband met bedoeld programma betaalde bijdragen. Indien er een tekort is, dan wordt dit door dezelfde Lidstaten bijgepast, waarbij hun voor het dan lopende boekjaar vastgestelde bijdragen in verband met bedoeld programma, als verdeelsleutel worden aangehouden.
**6.** Ten aanzien van de werkzaamheden van de Organisatie bevorderen de Lidstaten de uitwisseling van personen en van ter zake dienende wetenschappelijke en technische inlichtingen, onder voorwaarde dat geen enkele bepaling van dit lid
van invloed is op de toepassing op personen van de wetten en voorschriften van Lidstaten met betrekking tot het binnenkomen in, verblijf op of vertrek uit het grondgebied van de Lidstaten, of
van enige Lidstaat eist het verstrekken of doen verstrekken van in zijn eigen bezit zijnde inlichtingen voor zover hij van mening is, dat een zodanige verstrekking strijdig zou zijn met de belangen van zijn veiligheid.
Artikel III
Voorwaarden voor het lidmaatschap
Onderdeel van Verdrag tot oprichting van een Europese Organisatie voor kernphysisch onderzoek· Internationaal publiekrecht
Deze tekst geldt sinds 17 januari 1971