Voor de berekening van de uitkeringen welke ten laste komen van een in artikel 59, eerste lid van het Verdrag bedoeld orgaan in de gevallen waarin de belanghebbende zijn laatste werkzaamheden niet gedurende ten minste vier weken heeft uitgeoefend onder de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan dit orgaan is gevestigd, legt hij aan dit orgaan een verklaring over welke de aard vermeldt van de laatstelijk door hem onder de wetgeving van een andere Verdragsluitende Partij gedurende ten minste vier weken verrichte werkzaamheden, alsmede de bedrijfstak waarin deze werkzaamheden werden uitgeoefend. Indien de belanghebbende deze verklaring niet overlegt, verzoekt bedoeld orgaan daarom hetzij aan het voor werkloosheid bevoegde orgaan van laatstbedoelde Partij, hetzij aan een ander door de bevoegde autoriteit van deze Partij aangewezen orgaan. Het bevoegde orgaan kan eveneens een bewijs accepteren dat is afgegeven door de laatste werkgever van de belanghebbende.
TITEL IV › HOOFDSTUK 5 › Paragraaf
Artikel 66
Verklaring voor de berekening van de uitkeringen
Onderdeel van Administratieve Schikking voor de toepassing van het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden (herzien)· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht
Deze tekst geldt sinds 1 december 1987