**1.** Iedere vrouw op wie dit Verdrag van toepassing is, heeft recht op bevallingsverlof, op vertoon van een medisch attest dat het vermoedelijke tijdstip van haar bevalling aangeeft.
**2.** De duur van het bevallingsverlof is ten minste twaalf weken; een deel van dit verlof moet na de bevalling worden genomen.
**3.** De duur van het verplichte verlof na de bevalling wordt vastgesteld door de nationale wetgeving, doch is in geen geval korter dan zes weken; al naar gelang de nationale wetgeving bepaalt, kan het overige deel van het totale verlof worden verleend vóór het vermoedelijke tijdstip van de bevalling of na afloop van het verplichte verlof of deels vóór het eerste en deels na het tweede van die tijdstippen.
**4.** Het verlof voor het vermoedelijke tijdstip der bevalling wordt verlengd met het tijdvak, dat verloopt tussen het vermoedelijke tijdstip der bevalling en het werkelijke tijdstip der bevalling, en de duur van het verplichte verlof dat na de bevalling moet worden genomen, wordt niet verkort op grond daarvan.
**5.** Ingeval van ziekte die blijkens een medisch attest een gevolg is van de zwangerschap, voorziet de nationale wetgeving in een aanvullend verlof vóór de bevalling, waarvan de maximum-duur door de bevoegde autoriteit kan worden vastgesteld.
**6.** Ingeval van ziekte die blijkens een medisch attest een gevolg is van de bevalling, heeft de vrouw recht op een verlenging van het verlof na de bevalling, waarvan de maximum-duur door de bevoegde autoriteit kan worden vastgesteld.
Artikel 3
Artikel 3
Onderdeel van Verdrag betreffende de bescherming van het moederschap (herzien)· Internationaal publiekrecht
Deze tekst geldt sinds 18 september 1982