Naar hoofdinhoud
1. Behoudens de bepalingen van lid 3 van dit artikel mag een Duitse rechtbank of autoriteit in een hangende procedure niet van een persoon eisen, noch hem toestaan, inlichtingen openbaar te maken, welke de veiligheid van de krijgsmachten of de betrokken Mogendheid in gevaar zouden of zouden kunnen brengen, behalve met toestemming van de bevoegde autoriteit van de krijgsmachten of van de betrokken Mogendheid; mag een rechtbank of autoriteit van de krijgsmachten in een hangende procedure niet van een persoon eisen, noch hem toestaan, Duitse staats- of ambtsgeheimen openbaar te maken, behalve met toestemming van de bevoegde Duitse autoriteit. 2. Indien het in de loop van een procedure blijkt, dat het openbaar maken van dergelijke inlichtingen of geheimen zich zou kunnen voordoen, dient de rechtbank of autoriteit, tenzij besloten wordt van de openbaarmaking af te zien, alvorens de inlichtingen of geheimen aan te horen of te behandelen, een schriftelijke beslissing te vragen aan de bevoegde autoriteit ten aanzien van de vraag of de krachtens de bepalingen van lid 1 van dit artikel vereiste toestemming zal worden gegeven. De toestemming zal niet worden geweigerd, indien, krachtens de voorwaarden van dit Verdrag of enige andere tussen de partijen bestaande overeenkomst, het verstrekken van inlichtingen aan de bevoegde rechters of autoriteiten verplicht is. 3. De bepalingen van dit artikel worden niet op zodanige wijze toegepast, dat de grondwettelijke rechten van een partij bij een procedure om getuigenverklaringen af te leggen of uit eigen naam verklaringen af te leggen ten aanzien van feitelijke of juridische aangelegenheden worden beperkt. Voor inwerkingtreding zie ook Trb. 1957/229.

Rechtspraak bij dit artikel