**1.** Indien in de loop van een strafrechtelijke of een niet-strafrechtelijke procedure voor een Duitse rechtbank of autoriteit een beslissing dient te worden genomen ten aanzien van de vraag of een handeling of nalaten welke het onderwerp is van de procedure heeft plaats gevonden in de uitoefening door de betrokken persoon van de dienst ten behoeve van de krijgsmachten, schorst de Duitse rechter of autoriteit de behandeling en doet onmiddellijk mededeling aan de autoriteiten van de krijgsmachten onder opgave van de betreffende feiten. De bevoegde autoriteit van de krijgsmachten onderzoekt de zaak en doet, binnen een en twintig dagen na ontvangst van de mededeling, de Duitse rechtbank of autoriteit een verklaring toekomen, waarin de omvang van de dienst van de betrokken persoon op bedoeld tijdstip en op de bedoelde plaats wordt omschreven. De verklaring wordt ondertekend door de hoogste vertegenwoordiger van de krijgsmachten, die persoonlijk kennis draagt van de zaak. De autoriteiten van de krijgsmachten nemen, teneinde te verzekeren dat de verklaring op zorgvuldige wijze wordt opgesteld zowel wat vorm als inhoud betreft daartoe passende maatregelen. Na ontvangst van de verklaring, doch niet later dan een en twintig dagen nadat de mededeling is ontvangen door de autoriteiten van de krijgsmachten, wordt de procedure voortgezet.
**2.** De autoriteiten van de krijgsmachten kunnen een dergelijke verklaring eveneens overleggen aan een Duitse rechtbank of autoriteit zonder dat zij van die rechtbank of autoriteit een mededeling hebben ontvangen.
**3.** Een dergelijke verklaring geldt slechts als bewijs voor de omvang van de dienst van de betrokken persoon en is in dat opzicht beslissend. De persoon, die een dergelijke verklaring heeft afgegeven, kan echter als getuige worden opgeroepen om de inhoud van de verklaring te verduidelijken of aan te vullen; verder geldt, dat de bepalingen van dit lid niet op zodanige wijze worden toegepast dat de grondwettelijke rechten van een partij bij een procedure om getuigenverklaringen af te leggen of uit eigen naam verklaringen af te leggen ten aanzien van feitelijke of juridische aangelegenheden, worden beperkt. Het Duitse rechtscollege of de autoriteit kent aan het feit dat de handeling of het nalaten uit de uitoefening van de dienst voortvloeide, een zodanig wettelijk gewicht en uitwerking toe als volgens de bepalingen van het Duitse recht mogelijk is.
**4.** De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op de gevallen bedoeld in artikel 8 van het Financieel Verdrag.
Voor inwerkingtreding zie ook Trb. 1957/229.
DEEL TWEE › AFDELING III
Artikel 16
Diensthandelingen
Onderdeel van Notawisseling tussen de Nederlandse en de Britse Regering inzake de uitoefening van rechten en verplichtingen welke ten aanzien van de in de Bondsrepubliek Duitsland gestationeerde Nederlandse militaire eenheden voortvloeien uit twee op 26 mei 1952 te Bonn gesloten en op 23 oktober 1954 te Parijs herziene Verdragen· Staats- en bestuursrecht
Deze tekst geldt sinds 11 juni 1956