Naar hoofdinhoud
1. De autoriteiten der krijgsmachten geven elk aan de bevoegde autoriteit van de Bondsrepubliek hun behoeften aan onroerende goederen te kennen in de vorm van periodieke programma's en, waar noodzakelijk, van aanvullende programma's. Wanneer van twee of meer Mogendheden de krijgsmachten, welke in hetzelfde gebied zijn of zullen worden gelegerd, met elkaar strijdige belangen hebben wat betreft de onroerende goederen, zullen er gezamenlijke besprekingen tussen hen worden gehouden, met het doel, overeenstemming te bereiken ten aanzien van gemeenschappelijke programma's inzake onroerende goederen. Afzonderlijke verzoeken welke buiten de programma's vallen, worden tot een minimum beperkt. 2. Door de autoriteiten der krijgsmachten en de autoriteit der Bondsrepubliek overeengekomen programma's en afzonderlijke verzoeken, worden door de bevoegde Duitse autoriteiten uitgevoerd en ingewilligd na overleg met de autoriteiten der krijgsmachten waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met ligging, normen en data van oplevering. In deze programma's worden bijzondere voorzieningen getroffen om eventuele moeilijkheden het hoofd te bieden, welke zich voor de krijgsmachten kunnen voordoen als gevolg van de toepassing van de in de tweede zin van lid 5 van dit artikel vervatte bepalingen. Behoeften van ondergeschikt belang kunnen rechtstreeks tussen de autoriteiten der krijgsmachten en de bevoegde Duitse gewestelijke autoriteiten worden geregeld. 3. In geval van verschil van mening tussen ondergeschikte autoriteiten der krijgsmachten en de Duitse gewestelijke autoriteiten, wordt de zaak naar de autoriteit der Bondsrepubliek verwezen voor verder gemeenschappelijk overleg met de autoriteiten der krijgsmachten. 4. De krijgsmachten gaan voortdurend hun behoeften aan onroerende goederen na teneinde te verzekeren, dat deze binnen het met de omvang en de werkzaamheden der krijgsmachten overeenkomende minimum blijven. Onroerende goederen, welke niet langer nodig zijn, of waarvoor andere onroerende goederen, welke voor de behoeften van de krijgsmachten voldoende zijn, beschikbaar worden gesteld, worden door de krijgsmachten vrijgegeven. 5. In het bijzonder wordt gelet op het vrijgeven van onroerende goederen aan particulieren. Woningen in particulier bezit worden vrijgegeven indien zij door de krijgsmachten gedurende een tijdvak van zes opeenvolgende maanden niet zijn gebruikt. De Duitse autoriteiten hebben het recht, de krijgsmachten te verzoeken, de vrijgeving van bepaalde onroerende goederen met hen te bespreken. 6. Ten tijde van het vrijgeven van een gevorderde woning of een gevorderd hotel worden ook alle zich daarin bevindende gevorderde roerende goederen, waarvoor een gebruiksvergoeding betaald wordt, vrijgegeven. Wanneer andere gevorderde onroerende goederen worden vrijgegeven, zullen de krijgsmachten tegelijkertijd zich daarin bevindende gevorderde roerende goederen, waarvoor een gebruiksvergoeding wordt betaald, vrijgeven, uitgezonderd die gevallen waarin het voortgezet gebruik van die goederen noodzakelijk is voor de uitvoering van de verdedigingsopdracht der krijgsmachten. In dergelijke gevallen plegen de autoriteiten der krijgsmachten overleg met de Duitse autoriteiten. Zodanige roerende goederen worden ook vrijgegeven vóór het vrijgeven van onroerende goederen, mits deze niet meer voor de krijgsmachten nodig zijn of andere goederen, welke voor de behoeften van de krijgsmachten voldoende zijn, door de Duitse autoriteiten beschikbaar worden gesteld. Kunstvoorwerpen en antiquiteiten worden door de krijgsmachten vrijgegeven op overeen te komen wijze. 7. Bij de tenuitvoerlegging van het eerste programma inzake onroerende goederen hebben de krijgsmachten, indien in hetzelfde gebied geen vergelijkbare andere onroerende goederen beschikbaar zijn, gedurende een periode van zes maanden na de inwerkingtreding van dit Verdrag voorkeursrecht op die in openbaar bezit zijnde onroerende goederen, begrepen in de in artikel 13 van Hoofdstuk Een van het Verdrag inzake de regeling van vraagstukken voortspruitende uit de oorlog en de bezetting bedoelde eigendommen, welke beschikbaar komen. Dit geldt niet voor onroerende goederen in de Enclave Bonn. 8. Indien bij de krijgsmachten in gebruik zijnde onroerende goederen zoals schietterreinen, oefenterreinen en vliegvelden, tijdelijk niet door de krijgsmachten worden gebruikt, mogen deze tijdelijk, op haar verzoek, aan de Bondsrepubliek beschikbaar worden gesteld, op voorwaarde dat het weer in gebruiknemen door de krijgsmachten daardoor geen schade ondervindt. Voor inwerkingtreding zie ook Trb. 1957/229.

Rechtspraak bij dit artikel