Naar hoofdinhoud
1. Voor zover zulks noodzakelijk is om de verdedigingstaak der krijgsmachten te vervullen, neemt de Bondsregering op zich, er voor zorg te dragen, dat de behoeften der krijgsmachten en hun leden binnen het grondgebied van de Bondsrepubliek, behoudens de bepalingen van dit Verdrag of enig ander daarmede samenhangend verdrag, worden gedekt op de volgende gebieden: onroerende goederen (artikel 38); goederen, materialen en diensten, daarbij inbegrepen de diensten der openbare nutsbedrijven (artikelen 39 en 40); vervoersdiensten (artikel 41); verbindingsdiensten (artikel 42); andere openbare diensten (artikel 43). 2. De Bondsrepubliek draagt er zorg voor, dat vakbekwaam burgerpersoneel, dat geschikt is om aan de noodzakelijke behoeften van de krijgsmachten overeenkomstig de militaire behoeften te voldoen, door de bevoegde Duitse instanties aan de krijgsmachten beschikbaar wordt gesteld (artikel 44). 3. Teneinde de door de Bondsrepubliek in lid 1 van dit artikel aanvaarde verplichtingen te vervullen, vaardigt de Bondsrepubliek wetten uit welke de mogelijkheid scheppen de aanschaffing van goederen, materialen en diensten, de verschaffing van onroerende goederen en de instelling van verboden zones te verzekeren. 4. Totdat de in lid 3 van dit artikel bedoelde wetten der Bondsregering van kracht worden, worden dergelijke verplichtingen vervuld door middel van de toepassing op de daarvoor passende wijze, binnen het kader van de „Basic Law”, van de bepalingen van de volgende wetten voor zover deze betrekking hebben op de bevoegdheid goederen, materialen en diensten te vorderen, onroerende goederen te verkrijgen en verboden gebieden in te stellen: de Wet inzake goederen en diensten voor projecten ten behoeve van het „Reich” („Reichsleistungsgesetz”) van 1 september 1939; de Wet inzake de verschaffing van land voor de „Wehrmacht” van 29 maart 1935; en de Wet inzake de beperking van grondbezit ten behoeve van de verdediging van het „Reich” („Schutzbereichgesetz”) van 24 januari 1935. De toepassing van de in de eerste zin van dit lid bedoelde wetten van het „Reich” strekt zich niet uit tot de vaststelling van de omvang van vorderingen tot vergoeding en schadeloosstelling, welke krachtens lid 3 van artikel 12 van het Financieel Verdrag worden ingediend. Voor inwerkingtreding zie ook Trb. 1957/229.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel