**1.** De Bondsrepubliek neemt binnen het kader van haar bevoegdheid maatregelen teneinde aan de leden der krijgsmachten bijzondere jacht- en visserij voorrechten te verlenen en te doen verlenen op terreinen van de Bondsrepubliek. Zij verleent haar goede diensten bij de „Länder” en alle Duitse autoriteiten en publiekrechtelijke lichamen, opdat laatstgenoemden met betrekking tot andere openbare terreinen hetzelfde doen. Bij het verlenen van zulke bijzondere voorrechten worden de volgende algemene richtlijnen in acht genomen.
**2.** De leden der krijgsmachten
nemen de Duitse jacht- en visserijvoorschriften in acht, in het bijzonder wat betreft de juiste methoden van jagen en vissen;
houden zich aan de Duitse jachtplannen („Abschusspläne”);
moeten bij de jacht op tweehoevig wild („Schalenwild”) altijd vergezeld zijn van een jager in het bezit van een jachtakte, of van een boswachter, voor wiens diensten een redelijke vergoeding moet worden betaald;
betalen jaarlijks een bedrag ineens als jachtgeld welk bedrag in overeenstemming met de autoriteiten van de Bondsrepubliek of van de „Länder” wordt vastgesteld. Een dergelijk jachtgeld treedt in de plaats van alle andere terzake dienende belastingen, vergoedingen, heffingen en onkosten. Bij het vaststellen van een dergelijk jachtgeld dient voldoende rekening te worden gehouden met de omstandigheden waaronder de leden van de krijgsmachten op het grondgebied van de Bondsrepubliek leven;
betalen op dezelfde wijze een redelijke vergoeding voor visrechten.
**3.** De krijgsmachten hebben het recht, jacht- en visvergunningen af te geven, doch alleen aan leden van de krijgsmachten die bekend zijn met de Duitse jacht- en viswetten, en, in het geval van een jachtvergunning, met het gebruik van jachtwapens. De leden van de krijgsmachten eerbiedigen particuliere eigendomsrechten.
**4.** De autoriteiten van de Bondsrepubliek nemen alle maatregelen waartoe zij in staat zijn om, voor zover het particuliere eigendomsrechten betreft, het aangaan van vrijwillige regelingen met leden van de krijgsmachten te bevorderen, en zij moedigen uitnodigingen aan van de zijde van eigenaars of pachters van particuliere jacht- en visterreinen of van de zijde van houders van overeenkomstige rechten aan de leden van de krijgsmachten.
**5.** Overeenkomsten met betrekking tot jacht- en visrechten welke bij het inwerkingtreden van dit Verdrag van kracht zijn, blijven gelden indien zodanige contracten overeenkomstig de bepalingen der Duitse wetten vrijwillig zijn aangegaan en voorzien in de betaling voor zodanige rechten tegen de op dat ogenblik geldende prijs. Alle andere op de jacht en visserij betrekking hebbende rechten welke op een vroeger tijdstip zijn gevorderd of voorbehouden, lopen niet later dan een maand na de inwerkingtreding van dit Verdrag af.
**6.** De rechten en verplichtingen van de krijgsmachten op dit gebied kunnen in bijzondere overeenkomsten tussen de krijgsmachten en de autoriteiten van de Bondsrepubliek of die van de „Länder” nader worden bepaald.
Voor inwerkingtreding zie ook Trb. 1957/229.
DEEL DRIE › AFDELING II
Artikel 46
Jacht en visserij
Onderdeel van Notawisseling tussen de Nederlandse en de Britse Regering inzake de uitoefening van rechten en verplichtingen welke ten aanzien van de in de Bondsrepubliek Duitsland gestationeerde Nederlandse militaire eenheden voortvloeien uit twee op 26 mei 1952 te Bonn gesloten en op 23 oktober 1954 te Parijs herziene Verdragen· Staats- en bestuursrecht
Deze tekst geldt sinds 11 juni 1956