Naar hoofdinhoud
1. Behoudens de bepalingen van dit Verdrag en van iedere andere toepasselijke overeenkomst, oefenen de Duitse rechter en autoriteiten rechtsmacht uit over de leden van de krijgsmachten in niet-strafrechtelijke procedures. 2. Tenzij een niet-strafrechtelijke procedure is ingesteld op verzoek van een lid van de krijgsmachten, betekenen de Duitse rechter en autoriteiten aan het betrokken lid de schriftelijke stukken of de gerechtelijke beschikking waarbij de procedure aanhangig wordt gemaakt, ook indien een dergelijke betekening niet vereist is krachtens de Duitse wet en voorschriften. 3. De Duitse rechter en autoriteiten geven de leden van de krijgsmachten voldoende gelegenheid hun rechten te waarborgen. Indien een lid van de krijgsmachten ten gevolge van de uitoefening van zijn dienst of geoorloofde afwezigheid, niet in staat is zijn belangen te behartigen in een niet-strafrechtelijke procedure waarbij hij partij is, schort de Duitse rechter of autoriteit op zijn verzoek de behandeling op tot het ogenblik waarop de verhindering een einde heeft genomen, echter voor niet langer dan 6 maanden. Het bestaan van de verhindering dient aannemelijk te worden gemaakt („glaubhaft machen”) door het lid van de krijgsmachten. Een door de bevoegde autoriteiten van de betrokken Mogendheid afgegeven schriftelijke verklaring van de reden en duur van de verhindering zal door de rechter of autoriteit naar behoren in aanmerking worden genomen. De behandeling behoeft niet te worden opgeschort indien de belangen van het lid van de krijgsmachten op voldoende wijze kunnen worden behartigd door een persoon die gemachtigd is, hem in rechten te vertegenwoordigen, of door een andere vertegenwoordiger, die bevoegd is zijn rechten te beschermen. 4. Wat betreft kosteloze rechtskundige bijstand („Armenrecht”) genieten de leden van de krijgsmachten dezelfde rechten als de Duitsers. Zij zijn niet verplicht zekerheid te stellen voor kosten, van welke aard ook, in gevallen waarin Duitsers niet aan een dergelijke verplichting zijn onderworpen. De voor het vaststellen van het recht op kosteloze rechtskundige bijstand vereiste schriftelijke verklaringen worden afgegeven door de bevoegde consulaire autoriteiten nadat deze de nodige onderzoekingen hebben verricht. Voor inwerkingtreding zie ook Trb. 1957/229.

Rechtspraak bij dit artikel