Naar hoofdinhoud
1. De autoriteiten van de krijgsmachten nemen tegen leden van de krijgsmachten, die strafbare feiten hebben gepleegd tegen Duitse belangen die maatregelen, welke zij zouden hebben genomen indien zodanige feiten waren gepleegd tegen de betrokken Mogendheid, de krijgsmachten of hun leden, of hun eigendommen. 2. De Duitse autoriteiten nemen tegen aan hun rechtsmacht onderworpen personen wegens strafbare feiten welke zijn begaan ten aanzien van de krijgsmachten, hun leden, of de eigendommen van de krijgsmachten of hun leden die maatregelen welke zij zouden hebben genomen indien zodanige feiten waren gepleegd tegen de Bondsrepubliek, haar „Länder” of haar onderdanen, of hun eigendommen. 3. De autoriteiten van de krijgsmachten doen op verzoek aan de Duitse autoriteiten mededeling van de arrestatie van ieder persoon wegens een strafbaar feit in de zin van lid 1 van dit artikel. De Duitse autoriteiten doen op verzoek aan de autoriteiten van de krijgsmachten mededeling van de arrestatie van ieder persoon wegens een strafbaar feit in de zin van lid 2 van dit artikel. 4. De berechting van een lid van de krijgsmachten wegens een strafbaar feit in de zin van lid 1 van dit artikel, begaan op het grondgebied van de Bondsrepubliek, vindt plaats op dat grondgebied, behalve wanneer de militaire noodzaak zich daartegen verzet. Indien militaire noodzaak gebiedt dat de berechting van zodanig strafbaar feit zal plaats vinden buiten het grondgebied van de Bondsrepubliek, doen de autoriteiten van de krijgsmachten daarvan mededeling aan de Duitse autoriteiten onder opgave van bijzonderheden ten aanzien van tijd en plaats van de terechtzitting. De Duitse autoriteiten hebben het recht, zich door waarnemers te doen vertegenwoordigen tenzij veiligheidsoverwegingen zich hiertegen verzetten, en zij worden van het resultaat van de berechting op de hoogte gesteld. 5. De Duitse autoriteiten en de autoriteiten van de krijgsmachten werken wederzijds samen bij de vervolging van de in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde strafbare feiten. Tenzij veiligheidsoverwegingen zich hiertegen verzetten, staan zij vertegenwoordigers van de bevoegde autoriteiten toe, bij de terechtzitting aanwezig te zijn en stellen hen, binnen het kader van de toepasselijke voorschriften, in de gelegenheid hun zienswijze ten aanzien van kwesties van feitelijke en juridische aard kenbaar te maken. Behalve de gevallen waarin daarin wordt voorzien door het Duitse strafprocesrecht, hebben de krijgsmachten of hun leden eveneens het recht als mede-aanklagers („Nebenkläger”) op te treden voor Duitse gerechten voor zover het strafbare feit gericht is tegen de veiligheid of de eigendommen van de krijgsmachten of hun leden of voorkomt in de opsomming van strafbare feiten in Bijlage A bij dit Verdrag. De Duitse autoriteiten en de autoriteiten van de krijgsmachten doen elkaar op verzoek mededeling van hun voornemen een straf- of tuchtrechtelijke vervolging in te stellen, daarvan af te zien dan wel deze te onderbreken, alsmede van de beslissing. Voor inwerkingtreding zie ook Trb. 1957/229.

Rechtspraak bij dit artikel