Afdeling 1. Structuur van de Maatschappij
De Maatschappij heeft een Raad van Bestuur, een Raad van Directeuren, een Voorzitter van de Raad van Directeuren, een President en die andere ambtenaren en zulk ander personeel, die nodig zijn om de werkzaamheden te verrichten welke de Maatschappij kan vaststellen.
Afdeling 2. Raad van Bestuur
Alle bevoegdheden van de Maatschappij berusten bij de Raad van Bestuur.
Iedere bestuurder en plaatsvervangend bestuurder van de Bank, benoemd door een lid van de Bank dat eveneens lid is van de Maatschappij, is ex officio onderscheidenlijk bestuurder of plaatsvervangend bestuurder van de Maatschappij.
Geen plaatsvervangend bestuurder kan zijn stem uitbrengen, tenzij bij afwezigheid van zijn principaal.
De Raad van Bestuur kiest één van de bestuurders tot Voorzitter van de Raad van Bestuur.
De Raad van Bestuur kan de Raad van Directeuren de bevoegdheid overdragen, al zijn rechten uit te oefenen, behalve het recht:
nieuwe leden toe te laten en de voorwaarden van hun toelating vast te stellen;
het aandelenkapitaal te verhogen of te verlagen;
een lid te schorsen;
omtrent beroepen te beslissen, welke zijn ingediend naar aanleiding van door de Raad van Directeuren gegeven interpretaties van deze Overeenkomst;
regelingen te treffen voor samenwerking met andere internationale organisaties (andere dan niet-officiële regelingen van tijdelijke en administratieve aard);
te besluiten, voorgoed de werkzaamheden van de Maatschappij te staken en haar activa te verdelen;
dividenden vast te stellen;
deze Overeenkomst te wijzigen.
De Raad van Bestuur houdt een jaarlijkse vergadering en die andere vergaderingen welke de Raad van Bestuur nodig acht of welke door de Raad van Directeuren bijeengeroepen worden.
De jaarlijkse vergadering van de Raad van Bestuur wordt verbonden aan de jaarlijkse vergadering van de Raad van Bestuur van de Bank.
Het quorum voor enige vergadering van de Raad van Bestuur bestaat uit een meerderheid van de Bestuurders, welke niet minder dan twee derde deel van het totale stemrecht uitoefenen.
De Maatschappij kan volgens een te ontwerpen regeling een procedure vaststellen, waarbij de Raad van Directeuren een beslissing van de Bestuurders kan verkrijgen over een bepaald vraagstuk, zonder een vergadering van de Raad van Bestuur bijeen te roepen.
De Raad van Bestuur en, voorzover daartoe gemachtigd, de Raad van Directeuren, kunnen zodanige voorschriften en regelingen aannemen, welke nodig of dienstig zijn voor de leiding der zaken van de Maatschappij.
Bestuurders en plaatsvervangers verrichten als zodanig hun functies zonder een vergoeding van de Maatschappij te ontvangen.
Afdeling 3. Stemrecht
Ieder lid heeft twee honderd en vijftig stemmen, plus één extra stem voor ieder aandeel in het kapitaal in zijn bezit.
Voorzover niet uitdrukkelijk anders is bepaald, wordt ten aanzien van alle bij de Maatschappij aanhangige kwesties bij eenvoudige meerderheid van de uitgebrachte stemmen beslist.
Afdeling 4. Raad van Directeuren
De Raad van Directeuren is voor de leiding van de algemene zaken van de Maatschappij verantwoordelijk en oefent tot dit doel alle bevoegdheden uit, welke hem bij deze Overeenkomst zijn gegeven of welke door de Raad van Bestuur aan hem zijn overgedragen.
De Raad van Directeuren van de Maatschappij is ex officio samengesteld uit iedere Bewindvoerder van de Bank die hetzij (i) is samengesteld door een lid van de Bank, dat eveneens lid is van de Maatschappij hetzij (ii) is gekozen in een vergadering waarin de stemmen van tenminste één lid van de Bank, dat eveneens lid is van de Maatschappij tot zijn verkiezing hebben bijgedragen. De plaatsvervanger van iedere zodanige Bewindvoerder van de Bank is ex officio plaatsvervangend Directeur van de Maatschappij.
Een Directeur treedt af, indien het lid waardoor hij werd benoemd, of indien alle leden wier stemmen tot zijn verkiezing hebben bijgedragen, ophouden lid van de Maatschappij te zijn.
Iedere Directeur, die benoemd Bewindvoerder van de Bank is, is gerechtigd het aantal stemmen uit te brengen dat het lid, waardoor hij als zodanig werd benoemd, gerechtigd is in de Maatschappij uit te brengen. Iedere Directeur die gekozen Bewindvoerder van de Bank is, is gerechtigd het aantal stemmen uit te brengen dat het lid of de leden van de Maatschappij, wiens/wier stemmen tot zijn verkiezing in de Bank hebben bijgedragen, gerechtigd is/zijn in de Maatschappij uit te brengen. Alle stemmen welke een Directeur gerechtigd is uit te brengen, worden als één geheel uitgebracht.
Een plaatsvervangend Directeur heeft volledige bevoegdheid op te treden bij afwezigheid van de Directeur die hem benoemd heeft. Wanneer een Directeur aanwezig is, mag zijn plaatsvervanger de vergadering bijwonen, maar zonder stemrecht.
Het quorum voor iedere vergadering van de Raad van Directeuren bestaat uit een meerderheid van de Directeuren, welke niet minder dan de helft van het totale stemrecht uitoefenen.
De Raad van Directeuren komt zo dikwijls bijeen als de werkzaamheden van de Maatschappij vereisen.
De Raad van Bestuur stelt regelingen vast, waarbij het een lid van de Maatschappij dat niet bevoegd is een Bewindvoerder van de Bank te benoemen, mogelijk is, iedere vergadering van de Raad van Directeuren van de Maatschappij door een vertegenwoordiger te doen bijwonen, indien over een verzoek van dat lid, of een vraagstuk waarbij het ten nauwste betrokken is, wordt beraadslaagd.
Afdeling 5. Voorzitter, President en personeel
De President van de Bank is ex officio Voorzitter van de Raad van Directeuren van de Maatschappij, maar heeft geen stemrecht met uitzondering van een beslissende stem in geval van staking van stemmen. Hij kan deelnemen aan de vergaderingen van de Raad van Bestuur, maar brengt in deze vergaderingen geen stem uit.
De President van de Maatschappij wordt benoemd door de Raad van Directeuren op voordracht van de Voorzitter.
De President is het hoofd van het personeel der Maatschappij. Op aanwijzing van de Raad van Directeuren en onder het algemene toezicht van de Voorzitter leidt hij de dagelijkse werkzaamheden van de Maatschappij en is onder hun algemeen toezicht verantwoordelijk voor de organisatie, de benoeming en het ontslag van de ambtenaren en het personeel.
De President kan deelnemen aan de vergaderingen van de Raad van Directeuren, maar brengt in deze vergaderingen geen stem uit.
De President wordt van zijn functie ontheven door een besluit van de Raad van Directeuren, waarmede de Voorzitter instemt.
De President, de ambtenaren en het personeel van de Maatschappij volgen bij de uitoefening van hun functies uitsluitend de aanwijzingen van de Maatschappij en van geen enkele andere autoriteit. Ieder lid van de Maatschappij eerbiedigt de internationale aard van deze dienst en ziet af van alle pogingen, om iemand van hen bij de uitoefening van zijn dienst te beïnvloeden.
Rekening houdende met het allesoverheersend belang van het verzekeren van zo hoog mogelijke normen van doeltreffendheid en technische bekwaamheid wordt bij de benoeming van ambtenaren en personeel van de Maatschappij de nodige aandacht gewijd aan het belang, het personeel op een zo uitgebreid mogelijke geographische basis aan te trekken.
Afdeling 6. Relatie tot de Bank
De Maatschappij vormt een eenheid, welke geheel apart staat van de Bank en de fondsen van de Maatschappij zijn geheel gescheiden van die van de Bank.
De bepalingen van deze afdeling verhinderen de Maatschappij niet met de Bank voorzieningen te treffen met betrekking tot faciliteiten, personeel en diensten en met betrekking tot vergoeding van administratieve uitgaven, welke in eerste instantie door een der beide organisaties ten behoeve van de andere zijn betaald.
Geen bepaling in deze Overeenkomst stelt de Maatschappij aansprakelijk voor de handelingen of verplichtingen van de Bank, of stelt de Bank aansprakelijk voor de handelingen en verplichtingen van de Maatschappij.
Afdeling 7. Relaties met andere internationale organisaties
De Maatschappij, handelende door middel van de Bank, treft formele regelingen met de Verenigde Naties en kan soortgelijke regelingen treffen met andere openbare internationale organisaties, welke gespecialiseerde verantwoordelijkheden hebben op aanverwante gebieden.
Afdeling 8. Plaats van vestiging der kantoren
Het Hoofdkantoor van de Maatschappij is gevestigd in dezelfde lokaliteit als het Hoofdkantoor van de Bank.
De Maatschappij kan andere kantoren in de gebieden van enig lid van de Maatschappij vestigen.
Afdeling 9. Plaatsen van deponering
Ieder lid wijst zijn Centrale Bank als plaats aan, alwaar de Maatschappij saldi in de valuta van dat lid of andere activa van de Maatschappij kan aanhouden of wijst, indien het geen Centrale Bank bezit, voor dit doel een andere voor de Maatschappij aanvaardbare instelling aan.
Afdeling 10. Verbindingen
Ieder lid wijst een daartoe geëigende instantie aan, waarmede de Maatschappij in verbinding kan treden in verband met ieder vraagstuk dat zich als gevolg van deze Overeenkomst kan voordoen.
Afdeling 11. Publicatie van verslagen en verschaffing van inlichtingen
De Maatschappij publiceert een jaarverslag dat een door accountants gecertificeerde balans en winst- en verliesrekening bevat en verstrekt met geëigende tussenpozen een beknopt overzicht van haar financiële positie aan haar leden, benevens een opgave van winst en verlies, waaruit het resultaat van haar werkzaamheden blijkt.
De Maatschappij kan andere zodanige verslagen publiceren, als zij voor de vervulling van haar doel wenselijk acht.
Afschriften van alle verslagen, berichten en publicaties, welke krachtens deze afdeling worden uitgegeven, worden aan de leden verstrekt.
Afdeling 12. Dividenden
De Raad van Bestuur kan van tijd tot tijd vaststellen, welk gedeelte van het netto-inkomen en het surplus van de Maatschappij, na daartoe geëigende voorziening van de reserves, als dividend wordt uitgekeerd.
Dividend wordt uitgekeerd naar verhouding van het aandeel van ieder lid in het kapitaal van de Maatschappij.
Dividend wordt betaald op zodanige wijze en in zodanige valuta of valuta's als de Maatschappij vaststelt.
Artikel IV
Organisatie en beheer
Onderdeel van Overeenkomst betreffende de Internationale Financieringsmaatschappij· Financieel en economisch recht
Deze tekst geldt sinds 1 september 1965