Naar hoofdinhoud

Artikel V

Opzegging, schorsing van het lidmaatschap, opschorting van de werkzaamheden

Onderdeel van Overeenkomst betreffende de Internationale Financieringsmaatschappij· Financieel en economisch recht

Deze tekst geldt sinds 28 december 1956

Afdeling 1. Opzegging door leden Ieder lid kan te allen tijde zijn lidmaatschap van de Maatschappij opzeggen door een schriftelijke mededeling van opzegging aan het hoofdkantoor van de Maatschappij te doen toekomen. De opzegging gaat in op de dag van ontvangst van een dergelijke mededeling. Afdeling 2. Schorsing van het lidmaatschap Indien een lid tekort schiet in het nakomen van een van zijn verplichtingen tegenover de Maatschappij, kan de Maatschappij bij besluit van de meerderheid der Bestuurders, welke een meerderheid van het totale stemrecht uitoefenen, het lid schorsen. Een op deze wijze geschorst lid houdt één jaar na de datum zijner schorsing automatisch op lid te zijn, tenzij bij dezelfde meerderheid besloten wordt, het lid in ere te herstellen. Zolang het lid geschorst is, is het niet bevoegd enige rechten uit hoofde van deze Overeenkomst uit te oefenen, behalve het recht van opzegging, maar het zal aan alle verplichtingen gebonden blijven. Afdeling 3. Schorsing als lid of beëindiging van het lidmaatschap van de Bank Ieder lid, dat als lid van de Bank is geschorst, of ophoudt lid te zijn van de Bank, wordt automatisch als lid van de Maatschappij geschorst, of houdt op lid te zijn van de Maatschappij, al naar het geval zich voordoet. Afdeling 4. Rechten en verplichtingen van regeringen, welke ophouden lid te zijn Wanneer een regering ophoudt lid te zijn, blijft zij aansprakelijk voor alle bedragen, welke zij aan de Maatschappij verschuldigd is. De Maatschappij treft, als onderdeel van de vereffening van de rekeningen met zodanige regering, maatregelen voor de terugkoop van de aandelen van die regering in overeenstemming met de bepalingen van deze afdeling, maar de desbetreffende regering zal geen andere rechten uit deze Overeenkomst kunnen putten dan die voorzien in deze afdeling en in artikel VIII (c). De Maatschappij en de regering kunnen een regeling treffen omtrent de terugkoop van het aandelenkapitaal van zodanige regering op de voorwaarden welke onder de omstandigheden passend zijn, zonder rekening te houden met de voorzieningen van lid (c) hiernavolgend. Een zodanige regeling kan onder andere een definitieve vereffening van alle verplichtingen van de regering tegenover de Maatschappij bevatten. Indien een zodanige regeling niet binnen zes maanden nadat de regering ophoudt lid te zijn, of op een zodanig ander tijdstip als tussen de Maatschappij en zodanige regering kan worden overeengekomen, tot stand is gebracht, is de koers waartegen de aandelen worden teruggekocht, gelijk aan de waarde van die aandelen op het tijdstip dat de regering ophield lid te. zijn, welke waarde uit de boeken van de Maatschappij dient te blijken. De terugkoop van aandelen is onderworpen aan de volgende voorwaarden: betalingen van aandelen kunnen van tijd tot tijd worden verricht bij inlevering van de desbetreffende aandelen door de regering, in zodanige termijnen, op zodanige tijdstippen en in zodanige beschikbare valuta of valuta's, als de Maatschappij redelijkerwijze vaststelt, met inachtneming van de financiële positie van de Maatschappij; ieder bedrag dat aan de regering voor haar aandelenkapitaal verschuldigd is, wordt ingehouden, zolang de regering of één van haar instanties voor de betaling van enig bedrag aan de Maatschappij aansprakelijk blijft en een dergelijk bedrag kan, ter keuze van de Maatschappij, indien de vervaldag daar is, in mindering worden gebracht van het bedrag, hetwelk de Maatschappij verschuldigd is; indien de Maatschappij een netto-verlies lijdt op de investeringen verricht ingevolge artikel III, afdeling 1, en welke zij nog in haar bezit heeft op de datum, waarop de regering ophoudt lid te zijn, en het bedrag van een dergelijk verlies het totaal van de daartegen gevormde reserves op zodanige datum overtreft, betaalt de regering op verlangen het bedrag terug, waarmede de prijs van terugkoop van haar aandelen verminderd zou zijn, indien met zodanig verlies rekening ware gehouden op het ogenblik waarop de prijs van terugkoop werd vastgesteld. In geen geval wordt enig bedrag, dat aan een regering voor haar aandelenkapitaal ingevolge deze afdeling verschuldigd is, eerder uitbetaald dan zes maanden na de datum, waarop de regering ophoudt lid te zijn. Indien binnen zes maanden na de datum waarop enige regering ophoudt lid te zijn de Maatschappij haar werkzaamheden conform afdeling 5 van dit artikel staakt, worden alle rechten van zodanige regering geregeld door de bepalingen van bedoelde afdeling en wordt zodanige regering voor de doeleinden van die afdeling, als lid van de Maatschappij beschouwd, met dien verstande dat zij geen stemrecht kan uitoefenen. Afdeling 5. Opschorting der werkzaamheden en vereffening der verplichtingen De Maatschappij kan bij een besluit van de meerderheid van de Bestuurders, die de meerderheid van het totale stemrecht uitoefenen, voorgoed haar werkzaamheden opschorten. Na een dergelijk besluit staakt de Maatschappij op staande voet alle werkzaamheden, met uitzondering van die, welke verband houden met de ordelijke realisatie, instandhouding en bescherming van haar activa en de vereffening van haar verplichtingen. Tot het tijdstip van de uiteindelijke vereffening van deze verplichtingen en de verdeling van deze activa blijft de Maatschappij bestaan en alle wederzijdse rechten en verplichtingen van de Maatschappij en haar leden ingevolge deze Overeenkomst duren onverminderd voort, met dien verstande, dat geen lid wordt geschorst of de mogelijkheid heeft zich terug te trekken en dat geen uitkering aan leden wordt gedaan, behalve die, welke in deze afdeling zijn geregeld. Er wordt geen uitkering aan de leden verricht uit hoofde van hun inschrijving op het aandelenkapitaal van de Maatschappij voordat aan alle verplichtingen tegenover de crediteuren is voldaan of voorzieningen daartoe zijn getroffen en voordat de Raad van Bestuur bij besluit van de meerderheid van de Bestuurders, die een meerderheid van het totale stemrecht uitoefenen, besloten heeft tot een zodanige uitkering over te gaan. Met inachtneming van het voorafgaande, keert de Maatschappij de activa van de Maatschappij aan de leden pro rata uit in verhouding tot een ieders aandeel in het kapitaal, onder voorwaarde van voorafgaande vereffening van alle uitstaande vorderingen van de Maatschappij op ieder lid. Een zodanige uitkering wordt verricht op zodanige tijdstippen, in zodanige valuta's, en hetzij in contanten hetzij in andere bezittingen, op de wijze zoals de Maatschappij billijk en redelijk oordeelt. De vermogensbestanddelen welke aan de verschillende leden worden uitgekeerd behoeven niet noodzakelijkerwijze gelijk te zijn, wat betreft het soort bezittingen welke worden uitgekeerd of de soort valuta waarin deze zijn uitgedrukt. Ieder lid dat activa ontvangt welke door de Maatschappij krachtens deze afdeling worden verdeeld, geniet ten aanzien van deze activa dezelfde rechten als de Maatschappij vóór hun verdeling genoot.

Rechtspraak bij dit artikel