**1.** Indien ter plaatse geen autoriteit aanwezig is, bevoegd tot het afgeven van het bewijs in het vorige artikel bedoeld, wordt dit bewijs vervangen door een verklaring afkomstig van een consulaire ambtenaar of de diplomatieke vertegenwoordiging van het land van de verzoeker.
**2.** In het geval dat de verzoeker niet verblijft op het grondgebied van een der Hoge Verdragsluitende Partijen, zullen als bewijs van zijn behoeftigheid de bescheiden dienen, die vereist zijn krachtens de wetgeving van het land waar hij verblijft. Indien in dit land geen wetgeving op dit gebied bestaat of wanneer het niet mogelijk is aan de daar geldende wetgeving te voldoen, zal hij bij zijn verzoek een verklaring voegen, afgelegd voor de consulaire ambtenaar binnen wiens ressort zijn verblijfplaats is gelegen; deze verklaring bevat een aanduiding van de verblijfplaats van de verzoeker en een uitvoerig overzicht van zijn bestaansmiddelen en zijn lasten.
**3.** Indien de verzoeker niet verblijft in het land waar hij kosteloze bijstand inroept, moet de verklaring, afgegeven door de bevoegde plaatselijke autoriteit van de verblijfplaats van de verzoeker, kosteloos worden gelegaliseerd door een consulaire ambtenaar of de diplomatieke vertegenwoordiging van het land tot hetwelk het verzoek is gericht.
**4.** De autoriteit tot wie een verzoek tot afgifte van een verklaring van onvermogen wordt gericht, zal met het oog op het bepaalde in dit artikel de nodige nasporingen naar de financiële omstandigheden van de verzoeker kunnen doen.
Artikel III
Artikel III
Onderdeel van Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Brazilië betreffende kosteloze rechtsbijstand· Strafrecht
Deze tekst geldt sinds 30 april 1964