Naar hoofdinhoud
1. De Verdragsluitende Staten zorgen ervoor dat de nationale toezichthoudende instanties nauw samenwerken bij de uitoefening van het toezicht op de verleners van luchtvaartnavigatiediensten binnen het betreffende luchtruim en dat hun werkwijzen zijn geharmoniseerd. 2. De Verdragsluitende Staten erkennen wederzijds de toezichtstaken van hun nationale toezichthoudende instanties en de resultaten van deze taken. 3. De Verdragsluitende Staten zorgen ervoor dat hun nationale toezichthoudende instanties overeenkomsten sluiten over de samenwerking waarnaar in lid 1 wordt verwezen, met inbegrip van een regeling voor de behandeling van gevallen waarin niet wordt voldaan aan de geldende gemeenschappelijke eisen, en voor de wederzijdse erkenning van toezichtstaken en de resultaten van deze taken. Die overeenkomsten kunnen een regeling bevatten betreffende de verdeling van verantwoordelijkheden voor toezichtstaken. De betreffende nationale toezichthoudende instanties geven de overeenkomsten door aan de FABEC-Raad. 4. De nationale toezichthoudende instantie die de verlener van luchtvaartnavigatiediensten, die grensoverschrijdende diensten in het betreffende luchtruim verleent, heeft gecertificeerd, is belast met het toezicht op deze verlener van luchtvaartnavigatiediensten, in nauwe samenwerking met de nationale toezichthoudende instantie(s) van de andere betreffende Verdragsluitende Staat/Staten. 5. Indien de Verdragsluitende Staat boven wiens grondgebied de luchtvaartnavigatiediensten als bedoeld in lid 4 worden verleend, eist dat zijn eigen nationale toezichthoudende instantie toezicht uitoefent, bereiken de betrokken nationale toezichthoudende instanties overeenstemming over de voorwaarden voor het toezicht. 6. De betreffende Verdragsluitende Staten zorgen ervoor dat hun nationale toezichthoudende instanties een gemeenschappelijk mechanisme opzetten voor informatie-uitwisseling, overleg en coördinatie voor de verlening van grensoverschrijdende diensten om er voor te zorgen dat zonder uitstel de noodzakelijke corrigerende maatregelen worden genomen. 7. De Verdragsluitende Staten zorgen ervoor dat de in overeenstemming met dit artikel genomen beslissingen ten uitvoer worden gebracht. 8. In laatste instantie behoudt elke Verdragsluitende Staat het recht om de toestemming die in overeenstemming met artikel 16, lid 2, is gegeven op te schorten of te herroepen, nadat de betreffende Verdragsluitende Staat en de FABEC-Raad daarvan op de hoogte zijn gebracht.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel