**1.** Met de uitoefening van het internationale luchtverkeer op de ingevolge artikel 2, lid 2, vastgestelde lijnen kan te allen tijde worden begonnen, indien
de Overeenkomstsluitende Partij, aan welke de rechten zijn verleend, de onderneming of de ondernemingen schriftelijk heeft aangewezen, en
de Overeenkomstsluitende Partij, die de rechten verleent, de aangewezen onderneming of de aangewezen ondernemingen de vergunning heeft verleend het luchtverkeer te openen.
**2.** De Overeenkomstsluitende Partij, die de rechten verleent, zal behoudens het gestelde in de leden 3 en 4 en behoudens de regeling als bedoeld in artikel 9 de vergunning tot het uitoefenen van internationaal luchtverkeer onverwijld verlenen.
**3.** Iedere Overeenkomstsluitende Partij kan van een aangewezen onderneming van de andere Overeenkomstsluitende Partij het bewijs verlangen, dat zij in staat is te voldoen aan de eisen, welke door de wetten en voorschriften van de eerstgenoemde Staat zijn voorgeschreven voor de uitoefening van het internationale luchtverkeer.
**4.** Iedere Overeenkomstsluitende Partij behoudt zich het recht voor, aan een door de andere Overeenkomstsluitende Partij aangewezen onderneming de uitoefening van de in artikel 2 verleende rechten te weigeren, indien de onderneming niet in staat is desverlangd het bewijs te leveren, dat het overwegende eigendomsrecht en ook het daadwerkelijke beheer over de onderneming toebehoort aan onderdanen of rechtspersoonlijkheid bezittende lichamen van de andere Overeenkomstsluitende Partij of aan deze zelf.
Artikel 3
Artikel 3
Onderdeel van Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake het luchtverkeer· Vervoersrecht
Deze tekst geldt sinds 28 april 1958