**1.** Ten vervolge op de teruggave van Oostenrijks vermogen in Nederland krachtens de verklaring van de Nederlandse Regering van 1951, waarvan de tekst als Bijlage I hierbij wordt gevoegd, verplicht de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden zich, de Oostenrijkse Bondsregering voor een definitieve regeling van de tussen beide Staten bestaande vermogensrechtelijke vraagstukken een totaalbedrag van f 1 750 000 (een miljoen zevenhonderdvijftig duizend Nederlandse guldens) ter beschikking te stellen.
**2.** De Oostenrijkse Bondsregering verklaart, dat zij dit bedrag zal gebruiken ter regeling van de door haar vertegenwoordigde aanspraken en dat zij bij de Nederlandse Regering geen verdere aanspraken op teruggave van op grond van de wettelijke voorschriften inzake vijandelijk vermogen in het Koninkrijk der Nederlanden onder beheer gestelde vermogensbestanddelen, welke op het ogenblik, dat zij onder beheer werden gesteld, het eigendom waren van personen, die toentertijd de Oostenrijkse nationaliteit bezaten of deze sindsdien hebben verkregen, langs diplomatieke weg aanhangig zal maken of ondersteunen.
De onder 3 (a), (b), (c) en (d) vermelde aanspraken behoren niet tot de aanspraken ten aanzien waarvan de Oostenrijkse Regering aldus heeft verklaard niet te zullen interveniëren.
**3.** Afgezien van bovengenoemde betaling verklaart de Nederlandse Regering zich tot het volgende bereid:
Vermogensbestanddelen van Oostenrijkse onderdanen, welke door het Nederlandse Beheersinstituut niet daadwerkelijk onder beheer konden worden gesteld, worden, zonder berekening van beheerskosten of belastingen door het Beheersinstituut, ter vrije beschikking gesteld van de belanghebbenden.
Aanspraken van Oostenrijkse onderdanen, welke hun oorsprong ontlenen aan in Nederland uitgegeven en niet tijdig voor de Nederlandse effectenregistratie aangemelde effecten, zullen dezelfde behandeling genieten als die, welke in Nederland wordt verleend aan soortgelijke aanspraken van geallieerde onderdanen.
Verzoeken van Oostenrijkse onderdanen om teruggave ingevolge de verklaring van de Nederlandse Regering van 1951, welke tussen het ogenblik van inwerkingtreden van deze Overeenkomst en 31 december 1959 worden ingediend, zullen zo spoedig mogelijk worden afgedaan.
Aanvragen van de Oostenrijkse „Sammelstellen”, welke zijn ingesteld ingevolge de „Auffangorganisationengesetz” van 13 maart 1957, BGBL. No. 73, als gewijzigd bij de eerste en tweede „Auffangorganisationengesetz-Novelle”, BGBL. No. 285/58 en BGBL. No. 62/59, tot afstand van de in het Koninkrijk der Nederlanden aanwezige vermogensbestanddelen ten aanzien waarvan geen aanspraken geldend zijn gemaakt en welke aan met name te noemen Oostenrijkse onderdanen, die het slachtoffer zijn geweest van nationaal-socialistische vervolgingsmaatregelen werden onttrokken, kunnen tot 31 december 1959 worden ingediend. Deze vermogens zullen ingevolge de verklaring van de Nederlandse Regering van 1951 onder aftrek van de beheerskosten zo spoedig mogelijk door de Nederlandse autoriteiten aan bovengenoemde „Sammelstellen” worden afgestaan.
**4.** De Oostenrijkse Regering erkent, dat het Oostenrijkse vermogen op het grondgebied van Nederland aan generlei confiscatoire maatregelen is onderworpen.
Artikel I
Artikel I
Onderdeel van Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk inzake de regeling van vermogensrechtelijke vraagstukken· Financieel en economisch recht
Deze tekst geldt sinds 18 mei 1960