**1.** De vorderingen van de Unilever N.V., Rotterdam, en van de N.V. Beleggingsmaatschappij „Industriebank”, welke gebaseerd zijn op deelname van deze ondernemingen in rechtspersonen, welke hun zetel in Duitsland hebben, worden op zodanige wijze geregeld, dat de Republiek Oostenrijk het met de omvang van deze deelname overeenkomend deel der zich in Oostenrijk bevindende en krachtens artikel 22 van het verdrag inzake het herstel van een onafhankelijk en democratisch Oostenrijk van 15 mei 1955 op de Republiek overgegane vermogensbestanddelen overdraagt aan de Unilever en de Industriebank, indien de noodzakelijke bewijzen aanwezig zijn en tegen afgifte van de in deze gevallen gebruikelijke aansprakelijkheidsverklaringen.
Indien zich in de toekomst soortgelijke gevallen, waarin door Nederlandse natuurlijke en rechtspersonen vorderingen worden ingesteld, mochten voordoen, zal de Oostenrijkse Bondsregering de mogelijkheid van soortgelijke regelingen in welwillende overweging nemen.
**2.** De Oostenrijkse Bondsregering is bereid, de aanvragen van Nederlandse onderdanen tot vergoeding van materiële oorlogs- en vervolgingsschade volgens de desbetreffende Oostenrijkse wettelijke bepalingen zo snel mogelijk te behandelen.
**3.** De regeling van door de Nederlandse Regering ingediende vorderingen van Nederlandse onderdanen, welke zijn gebaseerd op in Oostenrijk uitgegeven effecten, zal geschieden volgens de desbetreffende Oostenrijkse wettelijke bepalingen.
Indien binnen twee jaar te rekenen van de inwerkingtreding van deze Overeenkomst af geen wettelijke voorschriften inzake de regeling van zodanige vorderingen van kracht mochten zijn geworden, behoudt de Nederlandse Regering zich het recht voor, de Oostenrijkse Regering opnieuw te benaderen.
Artikel II
Artikel II
Onderdeel van Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk inzake de regeling van vermogensrechtelijke vraagstukken· Financieel en economisch recht
Deze tekst geldt sinds 18 mei 1960