Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK IV

Artikel 21

Bescherming van personen en grenzen aan de verplichting tot het verlenen van bijstand

Onderdeel van Verdrag inzake wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 1 februari 1997

1. Geen enkele bepaling van dit Verdrag tast de rechten en waarborgen aan die personen hebben volgens de wetgeving of de administratieve praktijk van de aangezochte Staat. 2. Behalve in het geval van artikel 14 worden de bepalingen van dit Verdrag niet zodanig uitgelegd dat zij de aangezochte Staat de verplichting opleggen: maatregelen te nemen die in strijd zijn met zijn eigen wetgeving of administratieve praktijk of met de wetgeving of de administratieve praktijk van de verzoekende Staat; maatregelen uit te voeren die hij strijdig acht met de openbare orde of met zijn wezenlijke belangen; inlichtingen te verstrekken die niet verkrijgbaar zijn volgens zijn eigen wetgeving of administratieve praktijk of krachtens de wetgeving of administratieve praktijk van de verzoekende Staat; inlichtingen te verstrekken die een handels-, bedrijfs-, nijverheids- of beroepsgeheim of een fabrieks- of handelswerkwijze zouden onthullen, of inlichtingen waarvan het verstrekken in strijd zou zijn met de openbare orde of met zijn wezenlijke belangen; administratieve bijstand te verlenen indien en voor zover hij de belasting in de verzoekende Staat in strijd acht met algemeen aanvaarde beginselen van belastingheffing of met de bepalingen van een overeenkomst tot vermijding van dubbele belasting, of met enige andere overeenkomst die de aangezochte Staat heeft gesloten met de verzoekende Staat; bijstand te verlenen indien de toepassing van dit Verdrag zou leiden tot discriminatie van een onderdaan van de aangezochte Staat ten opzichte van de onderdanen van de verzoekende Staat in dezelfde omstandigheden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel