Naar hoofdinhoud
De grensmuur als bedoeld in het Duits-Nederlandse Verdrag van 17 mei 1939 komt te vervallen, voor zover deze binnen de in artikel I, eerste lid, vastgestelde begrenzing ligt. De van Nederlandse en Duitse zijde in de in artikel I, eerste lid, onder a), bedoelde veldgedeelten gedreven ondergrondse werken moeten minstens op een afstand van 30 m van elkaar liggen. Een vermindering van deze afstand is alleen met vergunning van het bevoegde Toezicht op de mijnen toegelaten. De vergunning mag slechts worden verleend, wanneer een doorbraak tot in de van de andere zijde gedreven en nog openstaande ondergrondse werken uitgesloten is en het Toezicht op de mijnen van het andere land toestemming heeft verleend. De toestemming mag slechts worden geweigerd, wanneer essentiële de ondergrondse veiligheid betreffende redenen tegen een vermindering van de afstand aanwezig zijn. Bij de in artikel I, eerste lid, onder b), genoemde steenkolenvelden moet aan iedere zijde van de nieuwe ontginningsgrens een grensmuur van 10 m dikte, rechthoekig op die grens gemeten, onontgonnen blijven. Doorbreken, versmallen of wegnemen van deze grensmuur is slechts met vergunning van het bevoegde Toezicht op de mijnen toegelaten. De vergunning mag slechts worden verleend, nadat het Toezicht op de mijnen van het andere land zijn toestemming heeft gegeven.

Rechtspraak bij dit artikel