Voor de in artikel I nader omschreven steenkolenvelden en gedeelten daarvan geldt, voor zover deze van Nederlandse zijde worden ontgonnen, het volgende:
Het winnen van steenkolen geschiedt van Nederlandse zijde uit uitsluitend ondergronds. Schachten en andere bovengrondse werken mogen op Duits grondgebied niet worden aangelegd. Ten aanzien van het politietoezicht in het ondergrondse mijnbedrijf westelijk van de ontginningsgrens gelden de Nederlandse wetten, verordeningen en andere bepalingen. Oordeelt het Duitse Toezicht op de mijnen bijzondere maatregelen voor de ontginning, ter bescherming van de bodemoppervlakte in het belang van de persoonlijke veiligheid en het openbaar verkeer in het in artikel I genoemde gebied noodzakelijk, dan zal het Nederlandse Toezicht op de mijnen in overeenstemming met het Duitse Toezicht op de mijnen zulke maatregelen nemen in navolging van de in het gebied van Aken voor soortgelijke gevallen gebruikelijke richtlijnen.
Tot het uitoefenen van toezicht op het ondergrondse mijnbedrijf is het Nederlandse Toezicht op de mijnen bevoegd. Aan het Duitse Toezicht op de mijnen, alsmede aan Duitse beëdigde mijnmeters is het geoorloofd, indien daarvoor gegronde redenen bestaan, binnen de diensvolgens tot de bevoegdheid van het Nederlandse Toezicht op de mijnen behorende steenkolenvelden en gedeelten daarvan, door de zich aan Nederlandse zijde bevindende schacht in de mijn af te dalen en ondergronds contrôlemetingen te verrichten.
De Nederlandse mijnen hebben het recht, door haar gevolmachtigden bovengrondse metingen in het in artikel I genoemde gebied te doen uitvoeren.
De rechtstoestand van de ondergrondse mijnarbeiders en -beambten wordt beheerst door Nederlands recht.
Handelingen en nalatigheden in de ondergrondse werken, ook die van straf- of burgerrechtelijke aard, worden geacht in het Koninkrijk der Nederlanden te hebben plaats gehad.
De rechtsgevolgen, voortvloeiende uit de verhouding van de eigendom van de mijn tot de Duitse eigendom van de grond en tot de hierop rustende zakelijke rechten, in het bijzonder de aanspraken wegens mijnschade, zullen met betrekking tot de op Duits grondgebied gelegen percelen grond uitsluitend naar de Duitse wetten worden beoordeeld en eventueel voor Duitse rechtbanken worden berecht.
Vergoedingen wegens mijnschade van een Nederlandse schuldenaar aan een Duitse crediteur zullen naar het gebied van de Bondsrepubliek Duitsland worden overgemaakt.
Met betrekking tot de in- en uitvoerrechten, alsmede de in- en uitvoerverboden of -beperkingen worden de kolen geacht binnen het Koninkrijk der Nederlanden te zijn gewonnen.
Artikel III
Artikel III
Onderdeel van Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland houdende vaststelling van een ontginningsgrens voor oostelijk van de Nederlands-Duitse landsgrens gelegen steenkolenvelden· Agrarisch recht
Deze tekst geldt sinds 25 november 1961